| Boekbesprekingen | |
| Titel: | Evolutie betrapt |
| Redactie: | Willy van Strien |
| Uitgeverij: | KNNV |
| Formaat: | 19 pag. 24,5 x 17 cm, gebonden 192 pagina's |
| ISBN: | 90 5011 116 5 |
| Prijs: | 52,50 |
| Dit is een belangwekkend boek dat ik iedereen van harte aanbeveel! Onderzoek door Leidse wetenschappers ligt ten grondslag aan de vele gevarieerde hoofdstukken: Kan evolutie worden onderzocht? Hoe levende wezens zich ontwikkelen. Hoe sluipwespen en hun onvrijwillige gastheren zich gedragen. Hoe planten zich tegen vraat proberen te verdedigen. Hoe allerlei cichliden in Afrika zich tot aparte soorten konden ontwikkelen, enzovoort. Toch meen ik dat de samenstellers en redacteuren zich niet steeds positief in het productieproces hebben gemengd. Enkele onvolkomenheden wijt ik aan productie en redactie. Productietechnisch merken we dat de computervormgeving met te weinig boekbetrokkenheid enigszins op hol is geslagen. De achtergrondkleur in dit boek is soms storend. De hartmarge is te smal: de hoeveelheid wit rechts en links is veel meer dan het weinige wit in het bindmidden. Redactioneel stoor ik me erg aan de tussen-s in soortsvorming. Dat schijnt volgens het 'Groene Boekje' (ofwel de Woordenlijst der Nederlandse Taal) te mogen, maar geen bioloog en geen schrijver die het zo zal doen. De verbindings-s is een mannelijke of onzijdige tweede naamval. Maar het woord soort is vrouwelijk. Correct is dan ook soortvorming (zonder s) en zo vond ik het ook in woordenboeken. De eindredactie heeft hiervan helaas zeer consequent soortSvorming gemaakt. Iets om in een volgende druk meteen te verbeteren. Het Jacobskruiskruid wordt vaak door zebrarupsen kaalgegeten. De vlinders van die rupsen noemden we vroeger Sint-jansvlinders, omdat ze vooral rond St. Jan door de duinen vliegen. Dat is misleidend, want in rietlanden vliegt alleen omstreeks Sint Jan een andere vlinder, die die naam draagt. Daarom werd het vlindertje van de zebrarups genoemd naar de waardplant en heet Jacobsvlinder. Sint Jacobsvlinder in dit boek is fout. Omdat een bespreking iets anders is dan een verkooppraatje, moeten we kleine onvolkomenheden onder de aandacht brengen. Maar er wordt in 'Evolutie betrapt' uiteraard nog veel verteld: over vlindervleugels, over vogelzang, over zuurstof. Kortom: ondanks kleine bezwaren die licht verbeterd kunnen worden beslist een leesbaar prachtboek. | |
| Titel: | Tauchreiseführer Deutschland: Der Osten |
| Auteur: | Falk Wieland |
| Uitgever: | Delius Klasing, Bielefeld & Edition Naglschmid, Stuttgart, 1999 |
| Uitvoering: | ingenaaid |
| ISBN: | 3 89594 070 4 |
| Prijs: | DM 44,00 |
| Ten noorden van Berlijn bevindt zich een uitgestrekt gebied met veel meren en plassen, nl. meer dan 50 wateren in Mecklenburg-Vorpommern en Noord-Brandenburg. Een tweede interessante concentratie (nrs 78J96) vinden we in oostelijk Sachsen. In de zogenaamde nieuwe deelstaten van het voormalige Oost-Duitsland, daartoe behoren ook Sachsen/Anhalt en Thüringen, behandelt de auteur 111 duikplaatsen met veel wrakken dan wel resten van oorlogsindustrie, maar toch ook veel natuur in deze zoetwatergebieden. Laten we de weinig belangwekkende foto's van mannetjes onder water of duikende deernen maar even buiten beschouwing, dan is er toch genoeg beeldinformatie betreffende planten, lagere dieren, insecten en kreeften, salamanders en vissen om een aardig boek te vormen. De namen zullen wel eens problemen opleveren, maar wie naar deze streken van Duitsland gaat en de taal enigszins beheerst, vindt het ongetwijfeld nuttig in de bagage. | |
| Titel: | Labyrintvissen |
| Auteur: | Michael Kokoscha (vertaling uit het Duits en Nederlandse bewerking: Peter Heukels) |
| Uitgever: | Tirion, Baarn |
| Formaat: | 22,5 x 16,5 cm, gebonden, 95 pagina's, 60 kleurenfoto's (de meeste van A. v.d. Nieuwenhuizen) en 14 tekeningen |
| ISBN: | 90-5210-3585 |
| Prijs: | 29,50 |
| Dit boekje is er één uit een serie van vier, waarvan ook de andere delen besproken worden. Omdat de laatste jaren, vooral door de activiteiten van de Internationale Vereniging voor Labyrintvissen (IVL) veel nieuwe soorten zijn ingevoerd, is dit boekje heel welkom. Het beschrijft de essentiële kenmerken van labyrintvissen, de verschillende groepen en de populairste soorten daaruit, hun verzorgingseisen, aquariuminrichting, medebewoners, voeding, voortplanting en ziektebestrijding. De volgende groepen worden besproken: draadgoerami's, paradijsvissen en bushvissen, kempvissen en knorgoerami's, cichlidenachtige labyrintvissen (Belontia-soorten), vrijleggende labyrintvissen, twee buitengewone reuzen, chocoladegoerami's en een rover onder de labyrintvissen (snoekkopvissen, Luciocephalus pulcher). De paradijsvis was de eerste aquariumvis die vanuit het oosten naar Europa kwam en kan ook onder bepaalde voorwaarden in de vijver gehouden worden. De honinggoerami blijkt weer zijn vroegere naam Colisa chuna teruggekregen te hebben, nadat een tijdlang de naam C. sota gebruikelijk was. Kempvissen worden onderverdeeld in schuimnestbouwers en muilbroeders. Van deze laatste groep kunnen sommige soorten ook in een gezelschapsaquarium gehouden worden, vooral Betta picta. Van de vrijleggers is de klimbaars de bekendste. Nog maar kortgeleden werd een hele groep van muilbroedende kempvissen ontdekt. Aan het eind van het boekje worden belangrijke adressen gegeven, o.a. van de IVL. Ook wordt gewezen op belangrijke tijdschriften, zoals Het Aquarium, Le Macropode en Labyrinth. En ten slotte is er natuurlijk een register van belangrijke trefwoorden en soortnamen. | |
| Titel: | Meervallen |
| Auteur: | Gaus Schaefer (vertaling uit het Duits en Nederlandse bewerking: Peter Heukels) |
| Uitgever: | Tirion, Baarn |
| Formaat: | 22,5 x 16,5 cm, gebonden, 94 pagina's, 52 kleurenfoto's (van A. v.d. Nieuwenhuizen) en 16 tekeningen |
| ISBN: | 90-5210-357-7 |
| Prijs: | 29,50 |
| Ook een uitgave van de bovengenoemde serie van vier. Meervallen worden ten onrechte vaak beschouwd als 'de nuttige sufferdjes van het aquarium, die mooi de rol van vuilnisman en glazenwasser op zich kunnen nemen'. Dit boekje probeert daar wat tegen te doen. Het beschrijft eerst wat meervallen eigenlijk zijn en daarna welke eisen ze stellen aan de aquariuminrichting. Vervolgens worden de diverse meervaltypen behandeld, waarbij gewaarschuwd wordt voor sommige soorten, omdat die te groot worden, gevaarlijke elektrische schokken kunnen geven of gevaarlijke stekels kunnen opzetten. Sommige soorten zouden nooit in handen van liefhebbers moeten komen. Meervallen hebben geen schubben, maar kunnen wel meer of minder bedekt zijn met beenplaten. Er zijn waarschijnlijk tegen de 3000 soorten, maar pas ruim 2000 zijn er bekend. Alleen van Corydoras zijn er meer dan honderd soorten. De meeste meervallen zijn bodembewoners en 's nachts actief, maar er zijn uitzonderingen. Denk maar aan de glasmeerval. Het zijn over het algemeen sterke dieren, maar op bepaalde stoffen in het water reageren ze veel gevoeliger dan andere vissen, bijv. op metaalverbindingen. Uit Afrika en Azië worden maar weinig meervallen geïmporteerd, hoewel ze er wel volop voorkomen. De meeste populaire soorten komen uit Zuid-Amerika. Denk maar aan Corydoras. Helaas weten veel liefhebbers zelfs van de populairste soort (Corydoras paleatus) nauwelijks dat deze eigenlijk bij een veel lagere temperatuur gehouden moet worden dan de gebruikelijke 25 - 27° C, namelijk 18 - 20° C. Onlangs is gebleken dat de vroeger tot het geslacht Hoplosternum gerekende soorten in het nieuw opgestelde geslacht Megalechis thuishoren. Toch hanteert de auteur nog de oude naam, omdat die bekender is. Sinds een jaar of tien zijn harnasmeervallen erg in opkomst in de aquariumliefhebberij en er worden zoveel nieuwe soorten ingevoerd dat de wetenschappelijke naamgeving het niet meer kan bijhouden. Daarom worden deze geïntroduceerd onder internationaal erkende L-nummers (de L staat voor de familie Loricariidae). Daaronder komen ook zeer uitlopende voedselspecialisten voor. Zo eten Ancistrus-, Panaque- en Cochliodon-soorten zelfs hout, waarvan ze ook de lignine kunnen verteren. Een tegenwoordig heel populaire groep uit deze familie is het geslacht Otocinclus, behorende tot de onderfamilie van de oorzeefmeervallen of Hypoptopominae. Ook in dit boekje worden aan het eind weer enige nuttige adressen gegeven, maar een specifieke meervallenvereniging bestaat (nog) niet. Als belangrijkste adres wordt de NBAT genoemd, met het maandblad Het Aquarium, en verder de Duitse VDA-Arbeitskreis Barben, Salmler, Schmerlen, Welse. Een handig register completeert het boekje, maar daarin kon ik toch enige veel gehouden soorten niet vinden, zoals Corydoras julii, C. similis, Peckoltia-soorten, Synodontis nyassae e.a. Maar met zoveel soorten kan het boekje ook nooit volledig zijn. Niettemin, voor deze prijs een heel aanbevelenswaardig boekje voor elke zoetwateraquarist, want wie houdt er nu géén meervallen? | |
| Titel: | De nieuwe vlindergids |
| Subtitel: | 450 soorten dagvlinders van Europa en Noord-West-Afrika |
| Auteurs: | Tom Tolman & Richard Zewington (vertaling uit het Engels en Nederlandse bewerking: Inge uan Halder, De Vlinderstichting) |
| Uitgever: | Tirion, Baarn |
| Formaat: | 20 x 13 cm, gebonden, 32O pagina's tekst + 212 pagina's kleurenfoto's |
| ISBN: | 90-5210-325-9 |
| Prijs: | 59,50 |
| Sinds L.G. Higgins & N.D. Riley in 1970 hun 'A field guide to the butterflies of Britain and Europe' publiceerden gold deze nog steeds als dè veldgids voor vlinders. De taxonomische inzichten zijn inmiddels veel veranderd en in deze nieuwe veldgids zijn de huidige wetenschappelijke namen aangehouden. Bij het vertalen heeft Inge van Halder ook de Nederlandse namen toegevoegd. Verder heeft zij het voorkomen in Nederland uitgebreider beschreven en Dirk Maes heeft de gegevens voor België aangepast. Inge van Halder is van de Vlinderstichting, die in samenwerking met de British Butterfly Conservation een netwerk van deskundigen in Europa heeft opgebouwd. Dirk Maes is van de Vlaamse Vlinderwerkgroep. Het boek bevat diverse inleidende hoofdstukjes, samen 17 bladzijden, waarin o.a. de bouw en levenscyclus van een vlinder worden beschreven. Daarna volgt een beschrijving van de 450 soorten, ingedeeld in 5 families en 4 onderfamilies. Bij elke soort is een klein landkaartje van Europa afgebeeld, waarop het areaal in zwart is aangegeven. Van elke soort worden vermeld: soortnaam, auteur en datum, typelocatie, synoniemen, verspreidingsgebied, uiterlijk, variatie, vliegtijd, biotoop; levensloop (o.a. de waardplanten), gedrag en eventuele opmerkingen. In het midden bevinden zich 106 kleurplaten (dubbele pagina), waarvan de eerste twee afbeeldingen tonen van één typische vertegenwoordiger uit elke (onder)familie. Dit geeft in eerste oogopslag al een aanwijzing in welke groep men een te determineren vlinder dient te zoeken. Heel handig! Van de meeste soorten zijn zowel een mannetje als een vrouwtje afgebeeld. Maar determinatie blijft moeilijk, want wist u dat er bijv. naast het bekende koolwitje nog 23 andere 'witjes' zijn! Alle gebruikte begrippen worden uitgelegd in een verklarende woordenlijst achter in het boek. Ten slotte is er een index van Nederlandse namen en één van wetenschappelijke namen. Jammer dat er geen rupsennamen in staan, dus toen ik wilde opzoeken welke vlinder bij de beruchte eikenprocessierups hoort, lukte dat niet. Er zijn ook geen rupsen in afgebeeld, maar ja, het boek is al ruim 3 cm dik en moest wel een 'veldgids' blijven, die gemakkelijk mee te nemen moet zijn. Het lijkt mij dat deze opzet uitstekend geslaagd is. | |
| Titel: | Dazen en dazenlarven |
| Auteurs: | Zeegers & Van Haaren |
| Uitgever: | KNNV Uitgeverij, Utrecht |
| Formaat: | 114 pagina's, genaaid |
| ISBN: | 90 5011 131 9 |
| Prijs: | 29,50 |
|
Dazen behoren met hun fraai gekleurde ogen tot de juweeltjes van de natuur.
Deze wetenschappelijke mededeling bevat veel nieuwe gegevens... Zinnen
achter op het boek, waaruit direct blijkt hoe slordig tegenwoordig
redactiewerk bij de KNNV Uitgeverij gebeurt. Misschien zouden we zelfs wel
moeten vaststellen dat redactionele begeleiding heeft ontbroken. Dat is
jammer, want ook dit boekje is weer erg aardig voor de natuurliefhebber.
Ik ontkom er niet aan enkele voorbeelden van slecht lopende zinnen en andere
onvolkomenheden te vermelden. Pag. 10: De larve spuit als eerste... Bedoeld
is: eerst of allereerst. Pag. 12: Van het mannetje (...) is bekend dat zij zich
van grote hoogte in modderplas storten. Pag. 13: Slechts van een enkele (dus
van maar 1 enkele) dazensoort (...) is geen steekgedrag bekend. Tussen de
haakjes staan 3 soorten en een compleet genus, dus de bedoeling is dat
slechts weinig dazensoorten niet steken. Ik werd door zulke onhandige
formuleringen telkens weer op het verkeerde been gezet, waardoor ik een zin
moest overlezen. Paargedrag, larven en poppen lijken het midden te houden
tussen echte vliegen en muggen. Pag. 13: De paringshouding (...) is een missing
link. Dat is beslist een mooi bedoeld foutief gebruik, maar een missing
link is iets anders! Ook lezen we weer soortsvorming (pag. 16) wat haast
niemand uit de keel krijgt: de medeklinkers werken elkaar tegen. Het woord
soort is vrouwelijk, een tussen-s stamt van mannelijke genitief. Gewoon
soortvorming is beter. Zulke kritiek is teken van belangstelling. Uw
verslaggever heeft aan de waterkant en in weide of moerasgebied meestal
tot zijn on?genoegen dazen mogen ervaren: doortastende onhoorbare
specialisten in de zachte landing. Een halve eeuw geleden als kind bleven we
ongedeerd: runderdazen, gewone of grote, kozen liever koe. Later echter aan
de slootkant met een net, leerden we de andere soorten kennen:
goudoogdazen en regendazen. Een soort of vijf in totaal? Laten er nu in de lage
landen ongeveer 50 soorten voorkomen! Theo Zeegers beschrijft de imagines
of vliegen met hun verspreiding en status (algemeen, zeldzaam, uitgestorven,
enz.) en geeft determinatietabellen. Ton van Haaren behandelt de larven. Voor
onze (is in en om de Benelux voorkomende) soorten worden reeds bekende of
voor dit boek bedachte Nederlandse namen gegeven. Nuttig. Van oudsher
bekende soorten zijn: - Tabanus bovinus, grote runderdaas - Tabanus bromius, kleine runderdaas - Tabanus autumnu1is, grijze runderdaas - Tabanus sudeticus, paardendaas (ook wel Duitse daas genoemd) - Haematopota pluvialis, regendaas - Chrysops caecutiens, goudoogdaas Omdat de familie Tabanidae heet, moet uiteraard het geslacht Tabanus als eerste worden vermeld. Hier moeten meer dan 40 soorten aan worden toegevoegd, dus wordt u bij de watervlooienvangst goed gestoken, kijk dan toch even hoe mooi de ogen zijn, die bij het monster horen! |
|
| Titel: | Hagedissen |
| Auteur: | Harald Jes |
| Uitgever: | Tirion |
| ISBN: | 90 5210 374 7 |
| Prijs: | 18,90 |
| In het goedkope reeksje van Tirion, waaruit we al eerder deeltjes hebben besproken, verscheen onlangs Harald Jes, Hagedissen. Voor de Nederlandse vertaling tekende Peter Heukels. Het boekje verschaft veel nuttige tips voor aanschaf, inrichting, verzorging, techniek, voeding en kweek. Het zal duidelijk zijn dat in kort bestek geen diepgaande beschouwingen kunnen worden gegeven, maar in 't algemeen is de gegeven informatie doelmatig. Enkele vergissingen moeten toch wel onder de aandacht worden gebracht. Een van de mooiste hagedissen die ik ken, Gekko vittatus, de teugelgekko of ruglijngekko, staat op een foto met als onderschrift gestreepte daggekko. De naam Physignathus cochincinus wordt verkeerd gespeld en heet in het Nederlands gewoon wateragame. Duidelijke foto's en fraaie tekeningen (van Johann Brandstetter) illustreren deze mooi verzorgde uitgave. Het feit dat er zulke beginnersboekjes verschijnen, is goed. Het is te hopen dat deze lectuur de nieuwsgierigheid prikkelt en aanspoort om de wat moeilijkere boeken, zelfs in het Duits of Engels, te lezen. | |