| Boekbesprekingen | |
| Titel: | Reptielen en Amfibieën |
| Auteurs: | Robert en Valerie Davies |
| Uitgeverij: | Tirion |
| Formaat: | 208 pagina's, 170 afbeeldingen in kleur (meest foto's) |
| ISBN: | 90 5210 316 x |
| Prijs: | f 49,50 |
|
Over reptielen en amfibieën zijn er weinig echt
goede boeken in de Nederlandse taal te krijgen. Dit
boek is er een. Een eerste hoofdstukje geeft tips
betreffende de aanschaf (gezondheidscontrole,
wetgeving en bedenkingen vooraf). Daarna volgt een
groot reptielengedeelte (128 p.) en 64 pagina's over
amfibieën. Beide gedeelten bestaan uit een helft
'verzorging' en een helft 'soorten'. De gedeelten over
verzorging bespreken anatomie, vivariumtypen,
inrichting en techniek, voeding, kweek en
gezondheidszorg. Vooral dit laatste krijgt een
pluspunt. In de soortengedeelten worden
achtereenvolgens 45 (soorten of geslachten)
hagedissen, 18 slangen, 11 schildpadden, 21 kikkers of
padden en 8 salamanders genoemd. De keuze is soms wat
raar. Varanen worden niet besproken, want de meeste
mogen van de wet toch niet en ze zouden te moeilijk
te houden zijn (lijkt mij niet). Ook beschermde
Europese soorten, zoals de hazelworm en de hardoen,
worden besproken zonder de wetgeving te noemen.
De informatie is goed, behoorlijk volledig en
praktisch. Uiteraard zijn er foutjes, meestal
verwaarloosbaar of niet ernstig. Ook zou ik zelf
sommige dingen anders uitleggen. Enkele voorbeelden:
Het boek geeft over de verzorging en kweek een
positieve kijk. Moeilijke dieren zijn opeens goed te
kweken. "Kameleons zijn populaire, goed houdbare
huisreptielen". Wedden dat bij beginners negentig procent binnen
een halfjaar dood is?
"Plaats bij een mannelijke doornstaartagame 2 of 3
vrouwen". Die laatste raken meestal gestresst van
elkaar, vanwege concurrentie om eilegplaatsen.
"Van twee meter groene leguaan is de helft staart. Het
zijn solitaire dieren, zet ze dus niet bij elkaar".
Onzin!
De wetgeving wordt aardig uitgelegd, alleen wordt
nergens gezegd dat je bij aanschaf van CITES-dieren
een CITES-nummer moet vragen. De foto's zijn van
uitzonderlijk goede kwaliteit. De vertaler (drs Peter
Heukels) heeft redelijk goed werk geleverd, al wordt
soms duidelijk dat hij niet helemaal met de
terminologie bekend is. Zo wordt Chelonoidis
carbonaria uit het tropisch regenwoud geen
kolenbranderschildpad, maar 'savanneschildpad'
genoemd. Femoraalporiën heten hier
'dijporiën' en luciferpoten zijn 'spillenpoten'.
Een paar keer is zelfs helemaal niet vertaald:
'toad-headed Agamids moeten 12 weeks koel'. Tot slot had ik graag de oorspronkelijke literatuurlijst gezien. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de (Engelse) auteurs 12 van de 14 stukken in het Nederlands hebben gelezen. En wat een artikel over een Australische wandelende tak ertussen doet, is voor mij een raadsel. Bovendien staan hier 4 namen fout geschreven. Ondanks de foutjes is dit boek zeer zeker een aanrader. |
|
| Titel: | Dwarfs And Giants - African Adventures |
| Auteur: | Jan H. Wanink |
| Uitgever: | Eburon, Delft |
| Formaat: | 17 x 24 cm. 288 pagina's, 26 foto's in zwart en wit |
| ISBN: | 90 5651 042 8 |
| Prijs: | f 39,50 |
| De titel 'Dwergen en Reuzen' slaat op de twee hoofdfiguren in deze uitgave, te weten Rastrineobola argentea (een visje van zo'n 17 cm lengte) en Lates niloticus (de reuzennijlbaars). Het betreft hier een proefschrift, waarop J.H. Wanink op 16 juni 1998 promoveerde. De auteur onderzocht het verstoorde ecosysteem van het Victoriameer, nadat door menselijk handelen het uitzetten van de nijlbaars in de jaren vijftig het natuurlijk evenwicht verstoord werd. Begin jaren negentig, dus 40 jaar later, was tweederde van het toen bekende cichlidenbestand door de vraatzucht van deze vis uitgestorven. Rastrineobola argentea wist zich echter wonderbaarlijk aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Het centrale thema wordt dan ook gevormd door te onderzoeken hoe deze vis zo succesvol kon overleven. Als tweede werd nagegaan wat de effecten van de nijlbaarsintroductie waren op het ecosysteem en hoe veranderingen zich door het voedselweb verbreid hadden. Niet alleen vissen, watersamenstelling en plankton passeren de revue, maar ook de vogels en insecten en hun eetgewoonten. En uiteraard is een plaats ingeruimd voor de autochtone bevolking, die belang heeft bij de vispopulatie als een voorname eiwitrijke voedselbron. Ik vond het zeer interessant te lezen hoe gedegen een dergelijk wetenschappelijk onderzoek tot stand komt. Aan de andere kant kan ik me voorstellen, dat het voor de gemiddelde aquarist allemaal iets te veel van het goede is. Zoals de titel aangeeft, is de uitgave in het Engels geschreven. De schrijver geeft aan het eind een korte samenvatting in het Nederlands. Verder is er een uitgebreide literatuurlijst. In mijn ogen een aanrader voor die lezer, die tijd, moeite en vooral gedachten wil besteden aan het complexe functioneren van ecosystemen. Zo te zien is er meer tussen hemel en aarde dan de mens bevroedt. | |
| Titel: | Feeds and feeding strategies for Colossoma macropomum (Cuvier 1818); fish growth as related to diatary protein |
| Auteur: | M.B. van der Meer |
| Uitgeverij: | Eburon, Delft |
| ISBN: | 90 5651 038 X |
| Prijs: | f 49,50 |
|
Dit boek is een proefschrift. De schrijver heeft er
de titel van doctor in de visteeltwetenschappen mee
verworven. Visteelt is een snel groeiende vorm van
voedselproductie. In tien jaar tijd is het aandeel van
gekweekte vis gegroeid van vijf procent naar een kwart op het
totaal. Uiteraard wordt het grootste deel nog steeds
uit visvangst op zee verkregen. Relatief is er nog
maar weinig bekend over de beste groeivoorwaarden voor
vissen, in vergelijking tot bijvoorbeeld koeien,
varkens en pluimvee. Tegenover deze warmbloedige
staat ook nog eens het feit dat de lichaamstemperatuur
van vissen afhankelijk is van hun omgeving. Die is
meestal lager dan die van warmbloedige. Lichaamsprocessen zoals vertering van voedsel en opbouw van lichaamseigen eiwitten verlopen moeizamer bij lagere temperatuur, zodat de voeding van vissen ook nog eens kritischer is. Een vis heeft daardoor een hoger eiwitgehalte nodig dan warmbloedige en daarbij is ook de samenstelling van belang: als een essentieel onderdeel ontbreekt, heeft de vis niets aan het voer voor de opbouw en gebruikt hij de rest van de kostbare voedingsstoffen slechts als brandstof. Van der Meer deed zijn onderzoek met een piranha uit het Amazonegebied, echter geen vlees- maar een planteneter, de welbekende pakoe, ofwel Colossoma macropomum. In de visteelt is voer de grootste kostenpost, een goede reden om te onderzoeken hoe je die kosten kunt minimaliseren. Hoe preciezer je weet wat een soort nodig heeft, des te nauwkeuriger je de dure eiwitten kunt verschaffen en hoe minder ammoniakproductie er is na de verbranding van de overtollige eiwitten. In zijn boek behandelt de schrijver zijn experimenten met veel cijfers en grafieken en de wiskundige verwerking ervan om uiteindelijk wetenschappelijk verantwoord te concluderen dat de samenstelling van visvoer een grote invloed heeft op de samenstelling van het vissenlichaam, zijn vlees zeg maar. Eiwit- en vetgehalte van vissen (binnen een soort) kunnen sterk variëren per dier, maar - al doorredenerend - ook kan bijvoorbeeld de keuze van het lichaam variëren om te groeien of om de energie in de voortplantingsorganen te steken. Dan kun je je voorstellen dat sommige aquariumvisjes al heel jong en klein aan de voortplanting beginnen, terwijl soortgenoten bij een andere aquarist enorm uitgroeien alvorens daaraan te beginnen. Er hoeft maar een essentieel voedingsbestanddeel voor de aanmaak van eieren te ontbreken of juist in overmaat aanwezig te zijn of er ontstaan 'afwijkingen'. Maar ook de uitgroei van secundaire geslachtskenmerken (verlenging van vinnen, lichaamsverdikkingen enz.), vaak samengaand met kleurintensiteit, kunnen dan bepaald worden door het voer. Feitelijk is de hier beschreven bevinding een bijkomende geweest, want in de eerste plaats ging het erom te onderzoeken hoe je zo voordelig mogelijk een zo goed mogelijk voer krijgt. Sojameel was hier de voordelige voersoort, die werd vergeleken met (duur, maar altijd goed!) vismeel. Dit boek is iets voor specialisten die het leuk vinden om zeer diep in de stof te duiken. Maar voor ons hobbyisten zitten er heel leuke krenten in de pap om eens op voort te borduren. Zo denk ik dat er in de praktijk te weinig aandacht aan het voer voor onze dieren wordt geschonken. Zelf gillen we als we niet drie keer per dag te eten krijgen of te weinig variatie in het broodbeleg of de warme prak, maar voor onze dieren zijn we meestal veel minder veeleisend. Terwijl het wel heel gewoon is om veel geld en aandacht te besteden aan watersamenstelling, pH, KH, noem maar op, en aan filters, licht en decoratie. |
|
| Titel: | De Nederlandse zoetwatermollusken |
| Subtitel: | Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water |
| Auteurs: | E. Gittenberger, A.W. Janssen e.a. |
| Uitgeverij: | KNNV-Uitgeverij, Postbus 19320, 3501 DH Utrecht |
| Formaat: | 23 x 29,5 cm, 300 pagina's |
| Uitvoering: | Gebonden, 12 kleurenplaten en talrijke zwart-wit tekeningen |
| ISBN: | 90 5011 118 1 |
| Prijs: | f 95,00 (f 85,00 voor leden van KNNV en EIS-Nederland) |
|
Dit boek werd op 13 november 1998 tijdens een symposium
in het laboratorium voor aquatische ecologie in
Nijmegen ten doop gehouden door Gerard van der Velde,
een van de zeven auteurs. Bij het openslaan van dit
boek valt meteen de bladwijzer op; deze bevat aan de
ene kant de Nederlandse namen in alfabetische volgorde
en op de andere zijde de wetenschappelijke namen met
daarachter de pagina waar het dier beschreven is en
eventueel waar er een kleurenplaat van te vinden is.
Heel handig! Zoetwatermollusken zijn weekdieren met een eigen gemaakt huisje ter bescherming van het lichaam. De weinige naaktslakken zijn in het boek buiten beschouwing gelaten. Het boek bevat hoofdstukken over: de bouw, systematiek en naamgeving, ecologie en verspreiding, bescherming en beheer, zoetwatermollusken tijdens het kwartair, verzamelen en bewaren, determinatie, de soorten, Gastropoda (slakken), Bivalvia (tweekleppigen), verklarende woordenlijst en literatuur, gevolgd door een uitgebreide index. De talrijke, kwalitatief uitstekende potloodtekeningen zijn gemaakt door G.A. Peeters met behulp van een binoculair met tekenspiegel. Slakken en mosselen voelen zich het beste thuis in niet of langzaam stromende wateren, waarvan Nederland er zeer vele heeft. Ons land is dan ook een belangrijk deel van het verspreidingsgebied van vele soorten en deze zijn op hun beurt een goede indicator voor de waterkwaliteit. Bij klassen, orden en families zijn naast de wetenschappelijke ook de Nederlandse namen gegeven. Verreweg het grootste deel van het boek (172 pagina's) wordt ingenomen door de twee hoofdstukken met beschrijvingen van klassen, families, geslachten en soorten slakken en tweekleppige. Van iedere familie zijn d.m.v. tekeningen de belangrijkste kenmerken aangegeven. Verder telt het boek 12 pagina's kleurenplaten. Kortom, een zeer gebruiksvriendelijk boek, ook voor leken. Het is aan de prijzige kant, maar voor de geïnteresseerde vijver- of natuurliefhebber zeer aan te bevelen. |
|
| Titel: | Back to nature; gids voor meervallen, 1997 |
| Auteur: | David Sands, Nederlandse bewerking Martin Geerts |
| Uitgeverij: | Fohrman Aquaristik AB |
| Formaat: | Gebonden, 128 pagina's |
| ISBN: | 3 9805605 2 X |
| Prijs: | f 35,00 |
|
Driekwart van dit boekje wordt gevuld met
soortbeschrijvingen. De foto's erbij zijn goed en
duidelijk genoeg om bij de determinatie van uw vissen
te helpen. De beschrijvingen zijn opgebouwd volgens
een vast stramien: verspreiding, habitat (= typering
van vindplaats, zoals grote of kleine rivier, meer,
moeras), grootte, voedsel, kweek, verzorging. De
opsommingen zijn vaak summier, maar als geheel voldoet
het aan zijn doel, namelijk een uitgebreid overzicht
van de meeste meervallen die te koop zijn in de
siervishandel. De inleidende hoofdstukken vind ik
minder. Naast een algemeen hoofdstukje over meervallen
wordt veel ruimte gebruikt voor het aquarium met
slechts drie tekstkoppen, maar een veelheid aan
behandelde onderwerpen, willekeurig, vaak van de hak
op de tak en zonder onderbreking achter elkaar
geplakt. De meeste beweringen over dieren, gedrag en
milieu zijn op zich best zinnig, maar het wekt toch
vooral de indruk dat de schrijver er even een paar
uurtjes voor is gaan zitten om snel voor wat
boekvulling te zorgen. Daarbij is de schrijfstijl niet
bepaald pakkend, maar stroef en vaak gebruikmakend
van moeilijke woorden en begrippen zonder verdere
uitleg. Je moet al een bioloog of ervaren aquarist
zijn om ze te kennen. En als je zo iemand bent, staat
er niets nieuws voor je in. Ronduit eigenaardig is de zinsnede 'back to nature'. Dit is een merknaam voor achterwanden, waarnaar ook verwezen wordt, want er is een duidelijk zakelijke koppeling tussen dit boek en de producent van de betreffende achterwanden. Deze achterwanden zijn van kunststof en bootsen - 'niet van echt te onderscheiden,' aldus de schrijver, en dat klopt - rotsformaties en boomstronken na. De schrijver gaat zover dat hij op zeker moment zelfs het gebruik van plastic planten in het aquarium propageert. Let wel, ik ben er helemaal niet op tegen om van kunstgrepen gebruik te maken, maar doe dan niet net of je zo natuurlijk bezig bent. Dan wek je met 'back to nature' een suggestie van echtheid en ben je met misleiding bezig. Ik denk dat dit boekje heel goed verkoopt. Het ziet er aantrekkelijk uit. |
|
| Titel: | Back to nature; Gids voor Malawicichliden, 1997 |
| Auteur: | Ad Konings, Nederlandse bewerking Martin Geerts |
| Uitgeverij: | Nederlandse uitgave door Verduijn Cichlids, Zevenhuizen |
| Formaat: | Gebonden, 128 pagina's |
| ISBN: | 90 800181 8 X |
| Prijs: | f 35,00 |
|
Als nog een boek in de "back to nature"-serie gaat dit over
cichliden van het Malawimeer. Het heeft dezelfde
opbouw als het eerder besproken boek over meervallen,
namelijk een inleidend deel over de natuurlijke
omgeving en over het houden in een aquarium met
allerlei wenken en wetenswaardigheden en een groot
stuk met bespreking van soorten, vergezeld van foto's.
Bij het doorlezen van het inleidend deel viel mij de
identieke schrijfstijl van beide inleidingen op, nadat
ik mij al verbaasd had over de "Nederlandse bewerking
door Martin Geerts". Bij mijn weten schrijft Ad
Konings namelijk zelf Nederlands. In 1998 is een
eerste uitgave in deze serie al in
Het Aquarium besproken, dat ging
over Tanginjikacichliden. En ja hoor, de inleiding van
dat boek en de inleiding van het onderhavige zijn
zelfs bijna identiek. Alleen zijn de zinnen een beetje
omgegooid, een must wordt noodzaak en een 'aquariaan'
wordt een aquariumliefhebber. Ook hier wordt driekwart van het boek gebruikt voor soortbeschrijvingen met foto's. Korte en bondige informatie over handelsnaam, grootte, verspreiding, habitat, voedsel en broedgedrag. Verder is bij iedere soort een minimale inhoudsmaat van het aquarium opgegeven. Ik vraag mij vaak af wat een schrijver met zoiets bedoelt: als het over voorwaarden van een goede waterkwaliteit gaat, noem dan andere randvoorwaarden (maximale concentraties van vervuiling); gaat het over nodige open zwemruimte vanwege beweeglijkheid, zeg dat dan en noem er een maat voor. Maar een bak van 200 liter en een bak van 200 liter kunnen zeer verschillend zijn voor wat betreft de ruimtelijke indeling. En reiniging is niet zozeer afhankelijk van grootte, maar veel meer van de filtratie. Ik heb toch een beetje een raar gevoel bij deze serie boeken. Er staan beroemde namen als auteur vermeld: Konings, Sands, die een garantie voor kwaliteit beloven, maar ik vraag mij af of er niet eerder sprake is van coauteurschap. |
|