|
Tekst: PieterJan Mellegers, foto's: Juan Carlos Merino Het lijkt op een vraag uit Triviant: wat is de overeenkomst tussen Eduard van Woodstock (1330-1376) en een levendbarend visje uit Mexico? Antwoord: ze hebben allebei de bijnaam 'Zwarte Prins'. Van het visje zijn de vinnen zwart, van de prins weten we niet eens zeker waar de bijnaam vandaan komt. Hij ging als een beest te keer op het slagveld, dat wel. En zijn Mexicaanse naamgenoot kunnen we gerust een 'vorstelijk' visje noemen.
In Engeland kreeg deze vis zijn bijnaam 'Zwarte Prins', die ook in Duitsland overgenomen is. Misschien omdat de kleuren doen denken aan een ridder in een blinkend harnas met zwarte mouwen? De mannetjes hebben namelijk een uitgesproken tekening: de ongepaarde vinnen zijn diepzwart. De romp is zilverachtig grijs, wat een prachtig contrast oplevert. De vrouwtjes zijn zilverachtig met zwarte spikkels, die zich tot een onduidelijke band verdikken die over het midden van de romp loopt. De maten in de literatuur en mijn eigen waarnemingen lopen uiteen van 3 à 4,5 cm voor de mannetjes en 5 à 5,5 cm voor de vrouwtjes. De onderkant van de romp kan, net als bij Characodon lateralis, naar rood neigen. De lichaamsvorm is goed uit de foto's op te maken. Merk op hoe ver de rugvin naar achteren geplaatst is. De bek is bovenstandig. In verband daarmee is het logisch dat Characodon audax zelden voedsel van de bodem op zal nemen. Een pasgeboren jong is dan ook veilig zo lang het op de bodem ligt. Als het zich laat opjagen, hapt een soortgenoot wel toe.
De cijfers met betrekking tot de voortplanting lopen ietwat uiteen. In 'Livebearing Fishes' van John Dawes staat: '... kleine worpen van 10 - 15 jongen om de acht weken, maar ook worpen van 59 zijn gemeld (door Derek Lambert)'. Dit stemt wel overeen met mijn ervaringen. Met dien verstande, dat eerste worpen kleiner zijn (4 à 6 jongen). Het schijnt vaak voor te komen dat de vierde worp erg groot is, waarbij de vrouwtjes een soort "prolaps" (uitzakking) oplopen en niet meer geschikt zijn voor de voortplanting. Peter Scott geeft in 'A Fishkeeper's Guide to Livebearing Fishes' 6 mm als maat voor de pasgeborenen op. Mijn ervaring is dat de jongen groter zijn: 10 à 13 mm. Wat de geboorte zelf betreft: sommige jongen komen met de kop eerst, andere met de staart. Bij de meeste zijn nog duidelijk twee 'trofotaeniën' waar te nemen, die uit de anaalstreek komen.
Een matig beplant aquarium van 60 cm met een stuk of twintig audaxjes is een prachtig gezicht. Bij zo'n flinke bezetting zijn vooral de mannetjes steeds goed te zien. De voortplanting kan dan al zo voorspoedig verlopen, dat u exemplaren weg zult moeten geven. Aangezien het hier om een bedreigde soort gaat, is het goed dat u uw vissen aan serieuze kwekers doorgeeft, te meer daar de doorkweekmogelijkheden terug lijken te lopen. |
|||||||||
|
Characodon audax behoort tot de hooglandkarpers of
Goodeidae. De mannetjes zijn niet, zoals guppen en molly's,
uitgerust met het staafvormige 'gonopodium', maar met een los flapje
aan de anaalvin, dat 'andropodium' heet. Hiermee duwt het mannetje
het sperma in de geslachtsopening van het vrouwtje. De zaadcellen zijn
niet in zaadbolletjes samengepakt en er is ook geen
voorraadbevruchting, zoals bij leden van het geslacht
Poecilia. De embryo's ontwikkelen voedingssnoeren ('trofotaeniën') vanuit de anale streek naar de wand van de eierstok van het moederdier. Trofotaeniën bestaan uit een kern van bindweefsel met bloedvaten, omgeven door eenvoudig epitheel. De oppervlakte van het epitheel bevat talloze 'microvilli', microscopisch kleine uitstulpingen. Hierdoor kunnen ze voedings- en afvalstoffen uitwisselen met de bloedsomloop van de moeder. Het systeem doet sterk aan de navelstreng bij zoogdieren denken. De vorm en het aantal van de voedingssnoeren is karakteristiek voor de soort. Characodons hebben twee lintachtige trofotaeniën. |
|||||||||
| Meer informatie: Poecilia Nederland Literatuur Smith, M.L. & R.R. Miller. Mexican goodeid fishes of the genus Characodon, with description of a new species. American Museum Noviates nr. 2851, pp. 1 - 14. (Oorspronkelijke beschrijving van C. audax) Wourms John P. et al., 1988. Maternal-Embryonic Relationships in Viviparous Fishes. Academic Press, Londen Meyer, Wischnath, Foerster., 1985. Lebendgebarende Zierfische. Mergus, Melle Dawes, John. 1991. Livebearing Fishes. Blandford, Londen Scott, Peter W., 1987. A Fishkeeper's Guide to Livebearing Fishes. Salamander Books, Londen Bitter, F., 1987. Zur Haltung und Zucht zweier Hochlandkärpflinge. DATZ 40 (maart 1987), pp. 107 - 110 |