Hoe vissen in de vijver overwinteren
Tekst: Lothar Wischmath, vertaling: Leo van den Berkmortel
Foto's van de auteur, tenzij anders vermeld
Vijverliefhebbers die in hun tuinvijver vissen houden moeten zich in de herfst ervan overtuigen of hun vijver
de mogelijkheid biedt aan de vissen om daarin te overwinteren. Zo niet, dan moeten de vissen binnenshuis
in aquaria of in bakken in de kelder ondergebracht worden.
| |
 |
|
Bronmos, Fontinalis antipyretica |
In een tuinvijver met overvloedige plantengroei en een diepte van minstens 80 à 100 cm worden de vissen
voor geringe problemen gesteld om zeker tot het volgend voorjaar te kunnen overleven. Per vissoort kunnen de
overwinteringsgewoonten sterk verschillen wat betreft de waterdiepte waarop de vissen hun rustpositie kiezen,
alleen of in schoolverband, of zich in de bodem ingraven. Als de watertemperatuur beneden de 10° C zakt,
daalt de stofwisseling en de bloedsomloop van de meeste vijvervissen zo sterk, dat de vissen zich alleen nog
maar langzaam voortbewegen en nauwelijks nog voedsel kunnen verteren. Veel vissen nemen beneden 5° C geen
voedsel meer op en hun hartslag daalt tot vier slagen per minuut. Veel vissoorten zoeken voor hun winterrust
bij voorkeur donkere plekken op. Deze vinden ze o.a. tussen 's winters groen blijvende waterplanten, zoals
penningkruid (Lysimachia nummularia), klein sterrenkroos (Callitriche palustris) en bronmos
(Fontinalis antipyretira). Ook tussen lisdodden, biezen, riet en zeggen vinden vissen ideale rustplaatsen.
Om het vijverwater niet met onverteerd voer (vlokken of tabletten) te belasten, wat tot een aanzienlijke
vermindering van het zuurstofgehalte zou leiden, dient in september het voeren gestaakt te worden. Als regel
dient men aan te houden dat bij een watertemperatuur beneden 12° C geen voer meer gegeven wordt.
Pas vanaf april of mei, al naar gelang de watertemperatuur, ontwikkelen de vissen, na de winterrust, weer een
gezonde eetlust, zodat bij een watertemperatuur vanaf 12° C weer voer gegeven kan worden. In een tamelijk
natuurlijke vijver, met veel planten en daardoor ook veel verschillende insectensoorten en andere kleine
waterdiertjes, zal dat overbodig zijn, vooral bij een geringe bezetting met kleine inheemse vissoorten.
 |
|
|
Kroeskarper, Carassius carassius |
Nu moet men zich de winterrust van vissen niet zodanig voorstellen dat de dieren volledig bewegingloos
maandenlang op een plaats zouden blijven hangen. Afhankelijk van de lichtinval kunnen ze zelf een
lichtere of donkerder plek in het water opzoeken en zo hun standplaats aanpassen aan hun behoeften. Of door
geringe waterstroming, hetzij door de wind of door een filterpomp of luchtpompje voor het openhouden van een
wak in het ijs ergens anders heen gedreven worden. Dat laatste gebeurt vooral met oppervlaktevissen, zoals het
vetje (Leucaspius delineatus) of de alver (Alburnus alburnus), die zich roerloos in de bovenste
waterlaag, in het vrije water of tussen planten ophouden. De populaire kroeskarper (Carassius carassius),
waarvan vooral de natuurlijke goudkleurige mutant tussen planten goed zichtbaar is, graven zich voor hun
winterrust, evenals veel andere vertegenwoordigers van de karperfamlie, in de modder, het plantenafval of
het fijne zand in. Gelet op de overwinteringsplaats van vissen, dient vermeld te worden, dat het grootste
deel van onze inheemse vissen met de buik op bodem of tussen planten, stenen en wortels liggend de
winter doorbrengt.
| |
 |
Carassius aurutus gibelio, de wildvorm van de goudvis.
(foto Ruud Wildekamp) |
Problematisch of onmogelijk is de overwintering van vissen in vijvertjes die geen vorstvrij diep gedeelte
hebben en daarom het gevaar lopen tot op de bodem dicht te vriezen. Of wanneer men dieren heeft die zeer lage
watertemperaturen niet of slechts beschadigd kunnen overleven. De goudvis (Carassius auratus auratus),
een kweekvorm van de giebel (Carassus auratus gibelio), verdraagt een temperatuurverlaging tot zeker
6° C en kan dus in voldoende diepe tuinvijvers blijven gedurende de winter. Uit ondiepe tuinvijvers of
waterbakken moeten vissen wegens bevriezingsgevaar wel verwijderd worden en tijdelijk in huis in grote
aquaria of bakken in de kelder ondergebracht worden ter overwintering, liefst bij een temperatuur van
12 - 15° C. Een filter moet daarop wel aangesloten worden, maar bij de genoemde temperaturen hoeft
's winters nauwelijks gevoerd te worden. Stijgt de temperatuur tijdelijk, bij zacht weer,
dan mag een beetje voer gegeven worden.
Jonge goudvisjes, die in de vijver geboren werden en in de herfst pas 2 - 5 cm lang zijn, dienen in ieder geval
niet in de vijver gelaten te worden, omdat ze nog niet zoveel vet aangezet hebben als de oudere dieren en dus
gemakkelijk zouden kunnen verhongeren. Deze dienen binnenshuis gehaald te worden en bij een temperatuur van
ca. 20° C gehouden te worden. Ze dienen 's winters wel gevoerd te worden (noot van de
redactie: in Oost-Duitsland zijn de winters beduidend strenger dan in Nederland. Bij ons kunnen jonge
goudvissen gerust in een voldoende diepe tuinvijver blijven). De uit de giebel voortgekomen goudvis
is verder gekweekt en daaruit zijn de zeer twijfelachtige kweekvormen sluierstaart, telescoopoog, leeuwenkop
en andere misbaksels voortgekomen. Deze zijn zeer gevoelig en moeten in de herfst uit de tuinvijver verwijderd
worden en zoals hierboven besproken overwinteren.
 |
|
|
Leucaspius delineatus uit Turkije (oostzijde Beysehir Grölü): het vetje,
dat ook in Nederland voorkomt, vooral in het zuiden en midden van het land. (foto Ruud Wildekamp) |
Na half april kunnen goudvissen terug in de tuinvijver, maar de sluierstaarten en andere kweekvormen pas vanaf mei.
Uiterlijk in november, dus voordat zich een ijslaag zou kunnen vormen, dient men er zich van te vergewissen of
het vijverwater voldoende zuurstof bevat voor de zich in winterrust begevende vissen en andere levende wezens.
Als bij de herfstschoonmaak alle afgevallen boombladeren verwijderd werden en de eerder genoemde 's winters
groen blijvende en zuurstof producerende waterplanten aanwezig zijn, is de kans groot dat de vissen de winter
gezond overleven. Bij een geringe visbezetting met kleine inheemse vissoorten is een extra beluchting dan
overbodig. Ongeveer 10 - 12 vetjes, stekelbaarsjes of bittervoorntjes per m³ water of 2 - 5 goudvissen
kunnen als geringe visbezetting worden beschouwd.
Wie dat wil, zou echter extra zuurstof in de vijver kunnen brengen d.m.v. een membraanluchtpompje of - als er
geen stopcontact in de buurt is - met een oxidator. Beide toestellen zijn in dierenwinkels en tuincentra te koop.
Bij sterke visbezetting in kleine tuinvijvertjes is beluchting aan te raden. Ook de waterbeweging die een
vijverfilter veroorzaakt brengt zuurstof in het water. Wanneer in het voorjaar, na het smelten van het ijs,
dode vis naar het wateroppervlak komt drijven, dan kan zuurstofgebrek, verzuring van het water door niet
verwijderd bladafval of een infectieziekte de doodsoorzaak geweest zijn. |