|
Tekst: H. Sieraad - Foto's: J. Merino, tenzij anders vermeld Als we als aquarist aan een oppervlaktevis denken, bedoelen we eigenlijk altijd de geëigende geslachten Carnegiella en Epiplatys.
Deze soort is een van de vele soorten, die jammer genoeg meestal door onwetende en argeloze aquaristen wordt aangeschaft, omdat ze een apart uiterlijk hebben. Bijna altijd zijn deze dieren echter al bij voorbaat verloren, omdat de nieuwe eigenaar niet de kennis of de middelen heeft om de vissen een passend tehuis te bieden, waardoor ze al snel vermageren, schuw worden en ten slotte een roemloze dood sterven. Zelfs de Pantodons of vlindervissen, zoals hun toepasselijke Nederlandse naam luidt, die ik bij de verschillende speciaalzaken tegenkom, zijn over het algemeen in een slechte conditie, terwijl je toch van handelaren een zekere kennis mag verwachten. Hoog tijd dus om eens met wat richtlijnen te komen om deze schitterende dieren jarenlang met succes in leven te kunnen houden. Algemene gegevens De vlindervis werd in 1873 door de Duitse onderzoeker Buchholz ontdekt in de beschaduwde oerwoudkreken van Kameroen. Het wel zeer ongewone uiterlijk bracht in het begin sommige auteurs op een dwaalspoor. Zo meende bijvoorbeeld de Duitser Rachow dat de typische lichaamsbouw en de enorme buikvinnen het dier in staat stelden om lange glijvluchten boven water te maken. Vanwege de dikke buikpartij bij de vrouwtjes meende hij zelfs met een levendbarende te maken te hebben. Al vond hij het vreemd dat hij nooit een drachtig vrouwtje aantrof. Het is nu echter in brede kring bekend dat vlindervissen geen glijvluchten kunnen maken, maar dat de buikvinnen ze wèl in staat stellen om flinke sprongen boven water te maken om een zich vlak boven het wateroppervlak bevindende prooi te kunnen verschalken. Ook het raadsel van de 'levendbarende' is al lange tijd ontrafeld; vlindervissen zijn wel degelijk eileggers.
Ten slotte de kop met voor nachtdieren de zo typerende grote ogen en een enorme bovenstandige bekspleet, die voorzien is van een groot aantal naaldscherpe tandjes, die eem beetgepakte prooi nooit meer loslaten. Hoezeer die ook tegenspartelt.
Deze tot maximaal 1 cm groot wordende rovers zijn vooral in de schemering en 's nachts actief, wanneer er in groepen wordt gejaagd op kleine vissen en insecten, die zich vlak onder, op of vlak boven het wateroppervlak bevinden. De enige eisen die aan het voedsel worden gesteld, zijn dat het vrij groot is en dat het niet dieper dan enkele centimeters onder het oppervlak zwemt. Voedsel lager dan het eigen lichaam wordt - hoe aanlokkelijk ook - niet gegrepen. Aquariumgegevens De vlindervissen die in de vakhandel worden aangeboden, zijn bijna zonder uitzondering wildvangdieren. Geboren in beschaduwde oerwoudbeekjes met een lage zuurgraad en hardheid en een lage geleidbaarheid. Het spreekt voor zich dat deze gestresste dieren zich in het harde, licht alkalische water bij de importeur en later de vakhandel beslist niet op hun gemak voelen. Ook al omdat een bovendekking met drijfbladeren meestal afwezig is. De liefhebber, die deze dieren koopt, zal dan ook moeten beschikken over een aquarium met zacht, lichtzuur water. Met enkele drijfplanten en stukken hout die tot de oppervlakte reiken zal men de vlindervis een veilige schuilplaats bieden om de volgens zijn/haar instinct gevaarlijke tijd overdag te kunnen doorstaan. Wat de watertemperatuur betreft zijn ze niet veeleisend. Die mag verschillen van 24° C tot maximaal 30° C. Omdat vlindervissen scholenvissen zijn, mag het gezelschap van enkele soortgenoten beslist niet ontbreken, maar let op: gezien de grootte en de eetlust van volwassen exemplaren is het beter om eerst rustig na te denken over wat het maximale aantal vlindervissen is dat zonder problemen gehouden kan worden. Het zijn namelijk grote eters, die beslist grof levend voer in ruime hoeveelheden nodig hebben om gezond te blijven. Met een portie watervlooien of droogvoer doe je ze geen plezier, maar wel met wasmotten, pas vervelde meelwormen, spinnen, krulvliegen en krekels.
De kweek Na stormachtig jagen omklemt het mannetje het grotere vrouwtje, waarna de vrij grote, doorzichtige eieren worden afgezet. Deze eieren zijn voorzien van een olieachtige laag, zodat ze blijven drijven. Bij een temperatuur van 24 tot 26° C komen de eieren na twee dagen uit, waarna de larven enkele dagen op de grote dooierzak teren. Als de dooierzak is opgeteerd, wat gezien de grootte van de larven met het blote oog is te zien, moet er begonnen worden met het geven van voer. Vanwege de grootte van de larven, ongeveer 5 - 6 mm, heeft het geen zin om raderdiertjes en ander microscopisch voedsel te geven. Het zogenaamde stofvoer en artemia-naupliën worden wel geaccepteerd... Mits het drijft! Net als de ouderdieren zullen ze voedsel dat zich onder het oppervlak bevindt, niet aanraken. Wat de opfok ernstig bemoeilijkt en zorgt voor een grote sterfte. Zelf heb ik deze ervaring ook: na de zoveelste eiafzetting heb ik enkele eieren apart in een klein schaaltje gedeponeerd en daarbij wat draadalgen gedaan, die veel klein leven bevatten.
Helaas accepteerde het jong het aangeboden voedsel niet - wat ik ook probeerde - en na vijf dagen moest ik tot mijn spijt constateren dat de larve gestorven was. Ik denk dan ook dat hier een flink terrein braak ligt voor een serieuze liefhebber om eens te proberen als allereerste een flink aantal jongen groot te krijgen. Zelfs erkende kwekers zijn er tot nu slechts in geslaagd om een enkel jong groot te brengen, alle kosten en moeite ten spijt. Literatuur H. Frey, 1983. Het aquarium van A tot Z. Thieme, Zutphen H. Oskam. Geschubde exoten |