|
Het glastandkarpertje, Quintana atrizona Hubbs, 1934 Tekst: R. Hoving en C.M. de Jong, foto's: J.C. Merino Cuba is het verspreidingsgebied van een aantal levendbarende tandkarpers die verder nergens voorkomen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld alle vertegenwoordigers van het genus Girardinus met als bekendste vertegenwoordiger het metaaltandkarpertje (Girardinus metallicus) en het monotypische genus Quintana Hubbs 1934. De enige vertegenwoordiger van dit genus is Quintana atrizona. Aangezien dit visje een enigszins doorzichtige indruk maakt, luidt de Nederlandse naam glastandkarpertje.
Het nieuwe genus Quintana is in 1934 door Carl L. Hubbs beschreven bij de eerstbeschrijving van de soort Quintana atrizona. Zoals vaak het geval bij het determineren van levendbarende tandkarpers was de unieke vorm van het gonopodium van de soort de belangrijkste reden om een apart genus te benoemen. De genusnaam Quintana betekent 'dat wat betrekking heeft op de vijfde' en verwijst naar de opvallende verandering van de vijfde vinstraal in het gonopodium. De soortnaam atrizona (zwarte band) heeft betrekking op de zwarte banden, die op de zijkant van het lichaam zichtbaar zijn. Quintana atrizona neemt nog steeds een unieke plaats in onder de levendbarende tandkarpers. Ondanks de vele revisies van de levendbarende tandkarpers of Poeciliidae is aan het in 1934 door Hubbs beschreven genus nooit getornd. De enige andere naam waaronder deze vis ooit in literatuur is genoemd, is de duidelijk foutieve naam Limia eptomaculata lara. Onder deze fantasienaam werd de soort in 1933 in een Amerikaans tijdschrift aangeboden.
Hoewel het vaststellen van de verspreiding van een soort over het algemeen niet veel onduidelijkheid geeft, is dit bij het glastandkarpertje nog steeds wel het geval. De geïsoleerde positie die Cuba de laatste decennia heeft ingenomen, waardoor het bijna onmogelijk was dit land te bezoeken, heeft hier ongetwijfeld een rol bij gespeeld. De onduidelijkheid begon eigenlijk al meteen met de eerstbeschrijving van C.L. Hubbs in 1934. Voor zijn beschrijving stonden hem geen door hemzelf of andere wetenschappers beschreven vissen ter beschikking. Hij was in het bezit gekomen van nakweek van vissen die op twee universiteiten in de USA werden gehouden. Er werd verteld dat de vissen afkomstig waren uit de omgeving van Baracoa, een havenstad in het oosten van Cuba. Hubbs hield zelfs de mogelijkheid nog open dat de vissen afkomstig waren uit Mexico en via Cuba in de USA terecht waren gekomen.
Het verspreidingsgebied van de soort ligt ten grondslag aan de stelling dat Quintana en het eveneens op Cuba voorkomende genus Girardinus een gemeenschappelijke voorvader uit Centraal-Amerika hebben. De aanwezigheid op het eiland Isla de Juventud wordt verklaard door het feit dat dit eiland in het Pleistoceen met Cuba verbonden was en relatief recent een eiland is geworden. Ook de populaties van zowel op dit eiland als in West-Cuba voorkomende levendbarende tandkarpers Girardinus microdactylus en Girardinus falcatus vertonen nauwelijks verschillen.
Het glastandkarpertje is een van de kleinere levendbarende tandkarpers. De mannetjes worden maximaal 25 mm lang, de vrouwtjes hooguit 40 mm. Op het lichaam van beide geslachten bevinden zich twee tot zeven verticale zwarte strepen. De kleine, jonge vissen hebben minder strepen dan de oudere vissen. De strepen hebben de neiging om meer naar de achterkant van het lichaam te gaan naarmate de dieren ouder worden. Pasgeboren visjes hebben geen donkere strepen, maar kleine zwarte vlekken op het hele lichaam. De eerste vinstralen van zowel de aars- als de rugvin zijn zwart. Onder in de rugvin bevindt zich een zwarte vlek. Bij een juiste lichtinval zijn de vinnen enigszins geel gekleurd. De volwassen mannetjes hebben een relatief lang gonopodium dat tot bijna het begin van de staartvin komt. Barus et al. (1981) hebben uitgerekend dat de lengte van het geslachtsorgaan gemiddeld 36,9% van de lichaamslengte bedraagt.
Hoewel het glastandkarpertje een tijd lang als eenvoudig te houden en te kweken bekendstond, geeft het houden en kweken van de soort de laatste jaren steeds meer problemen. Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt door de vergevorderde inteelt, waarmee de Europese kwekers van deze soort te maken hebben. Het komt regelmatig voor dat een aanvankelijk succesvolle kweek plotseling in elkaar zakt en de soort met veel moeite in stand kan worden gehouden. Een nieuwe import van de soort, zodat er vers bloed beschikbaar komt, lijkt dan ook van het grootste belang. Zeker nu is gebleken dat het toch al kleine verspreidingsgebied van de soort telkens verder onder druk komt te staan, is een gezonde aquariumpopulatie van het grootste belang. Gezien de geringe grootte van de visjes en hun vrij kleine bek zal het aangeboden voer klein moeten zijn. Vooral net uitgekomen Artemia-naupliën zijn voor deze soort uitstekend geschikt. De vissen hebben een duidelijke voorkeur voor dicht beplante aquaria. Vooral javamos speelt een belangrijke rol bij het houden en kweken van de soort. De vissen zijn enigszins schuw en stellen een schuilplaats zeer op prijs. Javamos heeft verder het voordeel dat de jongen vlak na de geboorte een goede schuilplaats hebben, die in de vorm van rond een bos van dit mos aanwezige infusiediertjes bovendien voedsel biedt. Ook de volwassen vissen zijn vaak in javamos op zoek naar voedsel.
Het glastandkarpertje is een rustige vis die alleen geschikt is voor een speciaalaquarium. Samen gehouden met andere soorten komen de visjes nauwelijks tot hun recht en zullen een kwijnend bestaan leiden. Ook het samen houden met een andere kleine levendbarende tandkarper als het dwergtandkarpertje (Heterandria formosa) is niet goed mogelijk. Dit uit de USA afkomstige tandkarpertje is veel feller en zorgt ervoor dat vooral de jongen van Quintana niet kunnen opgroeien. Wil men de soort kweken, dan kan men het beste beginnen met een kweekgroep. Het kweken met een paartje is meestal tot mislukken gedoemd. Worden de vissen in een groep gehouden, dan zijn er regelmatig jonge visjes tussen het groen te vinden. Deze jongen worden door hun ouders niet belaagd en zullen na enige tijd hun schuwheid verliezen en meer naar voren komen. Bij de geboorte zijn de jongen ongeveer 6,5 mm groot en door hun schutkleur moeilijk te ontdekken. Het water verversen dient dan ook voorzichtig te gebeuren, omdat er een grote kans bestaat om met het vuil ook enkele jongen weg te spoelen. Een worp bestaat maximaal uit ongeveer dertig jongen. Zeker bij jongere vrouwtjes zal dit aantal echter veel lager liggen. Worpen van drie jongen zijn dan heel normaal. De periode tussen twee worpen kan erg uiteenlopen. Hoewel het gemiddeld op rond de vier weken ligt, zijn er ook intervallen van zes weken bekend. De jongen zijn na ongeveer vijf maanden geslachtsrijp. Een probleem dat zich bij de kweek regelmatig voordoet, is een erg scheve geslachtsverhouding. Sommige kwekers hebben erg veel mannetjes, terwijl andere nauwelijks vrouwtjes in hun nakweek aantreffen. Mogelijk dat de reeds eerder genoemde inteelt hier debet aan is.
Het is te hopen dat een nieuwe import van deze soort ertoe leidt dat deze weer net zo eenvoudig te houden en te kweken is als twintig jaar geleden. Ondanks zijn eenvoudige tekening is het glastandkarpertje een fraaie aquariumbewoner die een klein speciaalaquarium meer dan waard is. Literatuur Hubbs, C.L. 1934. Studies of the fishes of the order Cyprinodontes XIII. Quintana atrizona, a new Poeciliid. Occasional Papers of the Museum of Zoology of the University of Michigan 301:1 - 8 Barus, V., J. Libosvarsky & F. Guerra Padron 1981. Observations on Quintana atrizona (Poeciliidae) from Cuba, reared in aquaria. Folia Zoologica 30 (3):203 - 214 Barus, V., E. Wohlgemuth & M. Penaz 1994. Checklist, taxonomical notes and biogeography of freshwater fishes from Isla de Juventud (Cuba), Folio Zoologica 43 (2) Rosen, D.E. & R.M. Bailey 1963. The Poeciliid fishes (Cyprinodontiformes), their structure, zoogeography, and systematics. Bulletin of the American Museum of Natural History vol. 126:1 - 176 Dost, U. 1994. Sommerurlaub für die Fische, Das Aquarium Juni:4 - 6 |