|
Tekst en foto's M.C.W. Keijman
In hun verslag geven zij aan dat Th. callolepis endemisch voorkomt in de bovenlooprivieren van de Coatzacoalcos, die zich alle in het zuiden van Mexico in de provincie Oaxaca bevinden. De vissen die Miller en Nelson beschreven, stamden uit de Rio Almoloya (ook wel Rio Grande genoemd), die in de landengte van Tehuantepec stroomt nabij het gelijknamige plaatsje Almoloya. Als kleurbeschrijving geven ze aan dat volwassen exemplaren op beide zijden op de onderste helft van het lichaam tot op de hoogte van de kieuwopening oranje vlekken dragen; in horizontale rijen gerangschikt. Deze vlekkenrijen lopen van het kieuwdeksel tot aan de staartwortel. Op de onderste helft van het kieuwdeksel bevinden zich eveneens oranje vlekken en aan de keel bevinden zich opvallende, fel oranje streepjes, die op hun beurt omringd zijn door iriserend blauwe zones. Verder bevinden er zich onder het oog vier tot zeven blauw gekleurde punten; in de vorm van een halve cirkel. Soortgelijke blauwe punten zijn ook op het kieuwdeksel terug te vinden. De uiteinden van de rugvin zijn rood gekleurd met daaronder een blauwwitte zoom, die tot in de uiterste vinstralen doorloopt. Als enige binnen het geslacht Thorichtys ontbreekt het deze soort aan de anders zo duidelijk aanwezige zwarte kieuwvlek, een kenmerk waaraan men Th. callolepis in de vrije natuur direct kan herkennen. Een tweede opvallend kenmerk bij deze soort is de duidelijk spits toelopende kop, wat bij andere Thorichtys niet voorkomt. |
|||||||
![]() Halfwasvrouw Thorichtys callolepis (klik op de foto voor groot formaat) |
![]() Halfwasman Thorichtys callolepis (klik op de foto voor groot formaat) |
||||||
| Zoals de foto's ook al laten zien, ontbreekt het deze soort niet aan kleur, maar desondanks is zij niet of nauwelijks in onze aquaria aanwezig. Ik zag deze soort voor het eerst bij een kennis van mij in Duitsland (hoe kan het haast ook anders) in een mooi beplant aquarium. Navraag leerde mij, dat hij ze had gevangen in de al eerder genoemde Rio Almoloya in Zuid-Mexico. Vanaf het moment dat ik deze fraai gekleurde soort had gezien, bestond bij mij het verlangen om ze ook eens te verzorgen (zoals er nog wel meer soorten op mijn lijstje staan). In 1989 deed ik samen met Hans van Heusden het Cichlidorado Mexico aan om op zoek te gaan naar cichliden. Tijdens deze reis wilden wij allereerst het zuiden van Mexico aandoen; met name de omgeving van Matias Romero. Dit plaatsje heeft een groot deel van zijn bedrijvigheid te danken aan het nabijgelegen legerkamp en het ligt tamelijk hoog in de bergen van de Sierra de Niltepec o Atravesada. Daar het op niet te grote afstand van de Stille Oceaan ligt, waait het tamelijk hard en doet het hier nogal koud aan (wat het in werkelijkheid ook is). De omgeving bestaat op sommige plaatsen uit een weelderig begroeid landschap. Op weer andere plaatsen is het een dor en kaal maanlandschap, waar de eens zo vele bomen zijn gekapt, hetgeen een trieste sfeer nalaat. Bij ons bezoek in februari 1989 zochten we naar een goede plaats om bij de naast de weg stromende Rio Almoloya te komen. Na enige tijd te hebben gezocht, vonden we een steil naar beneden lopend zandpad, waar we met enige voorzichtigheid naar beneden konden rijden. Eenmaal beneden aangekomen, stonden we aan de waterkant van de, naar later bleek, voor ons zoveel betekenende Rio Almoloya. Het water was kristalhelder en stroomde tamelijk snel. Het had aan de oever een diepte van ongeveer veertig centimeter en in het midden van deze amper zeven meter brede rivier misschien zeventig centimeter. Toen wij ons te water begaven, zagen we een onderwaterlandschap dat alleen maar bestond uit kleine en grote rolkeien, die volledig waren begroeid met alg. Opmerkelijk was hoe helder het water was, wat ertoe leidde dat je soms wel vier à vijf meter ver weg kon kijken. Een tweede opmerkelijkheid was de ontzettend hoge visdichtheid. Overal waar je keek zag je cichliden, zalmen en tandkarpers in grote hoeveelheden weg zwemmen. Zo zagen wij hier: 'Cichlasoma' salvini, Chuco intermedium, Vieja regani en V. sp. 'Coatzacoalcos', Paraneetroplus bulleri, Thorichtys helleri en Th. callolepis, Poecilia mexicana, Poeciliopsis gracilis, Astyanax fasciatus mexicanus en een geep uit de familie Belonidae. Al snorkelend zwommen we de rivier op, waarbij ons al snel opviel hoeveel broed verzorgende paren van Th. helleri we hier aantroffen. Ze stonden in de rustigere oeverzones soms wel op zestig centimeter afstand van elkaar hun jongen te verdedigen. In hun prachtig gestreepte broedkleed met uitgezakte kieuwen verjoegen ze de indringers van hun territorium, wat soms met bliksemsnelle aanvallen gepaard ging. Hoewel wij zoveel vissen en met name cichliden zagen, hebben we slechts een enkele solitair zwemmende Th. callolepis gezien. Onze zoektocht in deze niet erg warme rivier (24° C.) ging dus verder. Onderweg vingen we bij een prachtig oranje gekleurd koppel C. salvini een aantal jongen weg, die we mee naar huis wilden nemen. Na goed te hebben gezocht, vonden we zo'n 500 meter stroomopwaarts een plaats waar de oever vrij geleidelijk afliep en uit een nagenoeg zandige bodem bestond. Hier troffen we gelukkig meer Th. callolepis aan. We konden ze gelijk van de hier in veelvoud voorkomende Th. helleri onderscheiden door het al eerder genoemde ontbreken van de kieuwvlek.
Net als in de Rio Almoloya kwam ook in de Rio Malatengo Th. callolepis niet veel voor: tot heden nog geen verklaring voor gevonden. Vanuit de natuur naar ons aquarium is iets wat voor Th. callolepis een zeer grote stap is. Zo lukte het ons op onze tweede reis, waar we eveneens de Rio Almoloya bezochten, een aantal jongen mee naar Nederland te nemen. Doordat er geen aquariumervaringen bekend waren, was het voor ons in het duister tasten met betrekking tot het houden van deze soort. In het aquarium bleek deze soort zeer moeilijk in leven te houden te zijn. De jongen die wij van onze Mexicoreis hadden meegenomen, waren helaas geen lang leven beschoren. Na een aantal maanden was het aantal gereduceerd tot slechts één exemplaar. Een paar jaar later kwam ik weer in het bezit van Th. callolepis, die nu echter wel bleven leven, daar ik ze als enige cichlidensoort in een aquarium hield. Ik hield er nog wel andere niet cichliden bij, namelijk een aantal Poecilia mexicana, die voor de nodige afleiding zorgden. Deze vrij kleine Th. callolepis groeiden in één jaar uit tot vissen van acht centimeter. Desondanks kon ik nog steeds geen geslachtsonderscheid waarnemen. Het enige verschil dat ik kon herkennen, was dat een aantal vissen in grootte en hoogte van elkaar verschilden. Achteraf bleken juist dit de twee enige kenmerkende verschillen tussen de seksen te zijn voor zover met het oog waarneembaar. Naarmate de tijd verstreek, begon een van de grotere Th. callolepis zich met een kleiner exemplaar af te zonderen in een hoek van het aquarium nabij een aantal stenen. Ze begonnen beide de omgeving van zand te ontdoen en maakten af en toe aanstalten om een van de stenen te poetsen. Ook begonnen ze de steen, zoals we dat van vele andere substraatbroeders kennen, van vuil en oneffenheden te ontdoen. Na een tweetal dagen kon ik bij het kleinere exemplaar (het vrouwtje) de genitaalpapil zien, die naar buiten was getreden. Wel hadden beide vissen inmiddels een andere tekening aangenomen, die bestond uit een zevental brede verticale strepen, en ook vertoonde het vrouwtje rondom de keel een donkere zone.
Na nog eens vijf dagen begonnen de jonge visjes onder het oplettende oog van de ouders dan uiteindelijk te zwemmen. Vanaf de eerste dag van vrij zwemmen namen de jongen Artemia- naupliën tot zich, waardoor ze goed groeiden. Het separaat opkweken van jonge Th. callolepis brengt tot een lengte van drie à vier centimeter geen problemen met zich mee. Vanaf deze lengte kunnen er problemen optreden, die zich uiten in 'witte ontlasting', die veelal de dood van de jongen tot gevolg heeft. Het is daarom heel belangrijk deze vissen in zowel jeugd- als volwassen stadium alleen op te kweken en te verzorgen. Het is ook beslist aan te raden deze soort zeer ballastrijk voedsel aan te bieden (en zeer zeker geen rode mugenlarven). Mocht u deze punten bij het verzorgen van Th. callolepis in acht nemen, dan zullen zij zich van hun mooiste kant laten zien. Literatuur: Stawikowski, R. & U. Werner, 1985. Die Buntbarsche der Neuen Welt-Mittelamerika. Edition Kernen, 234-235. Miller, R.R. & B.C. Nelson, 1961. Variation, life colours, and ecology of Cichlasoma callolepis, a cichlid fish from southern Mexico, with a discussion of the Thorichtys species group. Occ. Pap. Mus. Zool. Univ. Michigan 622: 1-9 |
|||||||