Aanbevolen inheemse karperachtigen voor de vijver

Tekst en foto's: Lothar Wischnath (vertaling John M. Lammers)

Nadat u klaar bent met de aanleg van uw vijver, rijst de vraag of u er dan al of niet vissen in kunt gaan houden. Voorwaarde voor de verzorging van vissen is wel de wil een zo natuurgetrouw mogelijke vijver aan te leggen.

Natuurgetrouw betekent een levenswaardige omgeving te bieden aan alle plantaardige en dierlijke creaturen in deze kleine ruimte. Allereerst moet in een vijver, die klaar is voor gebruik, de beplanting met verschillende water- en moerasplanten voorrang hebben boven het uitzetten van vissen. Dan zal men al gauw een weelderige minifauna kunnen waarnemen.
Er vestigen zich insecten en waterslakken. Of hun eieren komen er vanzelf wel in met de waterplanten, of ze worden door vogels overgebracht. Dan zal het vijverwater ook spoedig voldoende voedsel bevatten, mits men er maar een beperkt aantal vissen in uitzet. Te veel vissen ineens zou de balans tussen dieren en planten, alsmede de kwaliteit van het water, fiks kunnen verstoren. Voor veel vijverbezitters is de goudvis in al zijn variëteiten de bekendste karperachtige. Niettemin wil ik hier wijzen op enige inheemse vertegenwoordigers van deze grote vissenfamilie, die uitstekend voor de vijver geschikt zijn. Karpers, familie Cyprinidae, bevolken met ongeveer 1250 soorten zoetwatergebieden in Europa, Afrika, Azië en Noord- Amerika tot in het noordelijk deel van Midden-Amerika. Veel soorten leven ook nog in brak water. Het zijn alleseters, ze voeden zich dus met dierlijk en plantaardig voedsel. Daaronder vallen ook dode dierlijke resten en afgestorven plantendelen. Veel soorten doen aan broedzorg, die naargelang de soort meer of minder uitgesproken is. Erg geschikt voor de vijver zijn de kleine soorten inheemse karperachtigen. Ik moet u er wel op attent maken, dat vissen alleen met toestemming van de autoriteiten uit natuurgebieden gevangen mogen worden. Beschermde soorten mogen natuurlijk totaal niet in een vijver worden ondergebracht.

  Kroeskarper
De kroeskarper, Carassius carassius
De kroeskarper, Carassius carassius
Deze bescheiden vis bereikt een lichaamslengte van 15 - 25 cm. Hij is gedrongen van vorm en hoog gebouwd. Zijn voorkeur gaat uit naar ondiep water, waar wel veel planten in moeten voorkomen. De vis past zich gemakkelijk aan de waterkwaliteit van zijn woongebied aan.
Verspreidingsgebied: Oost-, Midden- en West-Europa. 's Winters wil de vis nog wel eens tot winterslaap overgaan en daartoe graaft hij zich graag in de bodem in. Als voedsel nuttigt hij resten van waterplanten en kleine bodemdiertjes, zoals de larven van muggen en haften of eendagsvliegen. De afzettijd van het legsel loopt van mei tot juni. In ondiep water zet het wijfje de oranjegekleurde eieren aan waterplanten af. Afhankelijk van de watertemperatuur komt het legsel na 3 - 7 dagen uit. In het derde of vierde levensjaar worden de jongen pas geslachtsrijp. De kroeskarper kan nakomelingen krijgen, die geel tot roodachtig gekleurd zijn en deze zijn natuurlijk helemaal voor de vijver aan te bevelen.

  Alver
De alver, Alburnus alburnus
De alver, Alburnus alburnus
Deze vertegenwoordiger van de karperfamilie is slank en heeft een langgerekte vorm. Het aan de zijkant afgeplatte lichaam kan gemiddeld zo'n 12 - 15 cm lang worden. De kleur van de flanken is zilverachtig glanzend. De rug is groenachtig grijs tot blauw gekleurd. Zoals bij veel vertegenwoordigers van dit geslacht is ook zijn aarsvin beduidend langer dan de rugvin.
Verspreidingsgebied: ten noorden van de Alpen en de Pyreneeën tot aan de Oeral. Deze vis bewoont stilstaand en traagstromend water. Vanwege zijn sociaal gedrag en voorkeur om zich aan het oppervlak op te houden, is de alver aan te bevelen voor de wat grotere vijver, want daar kun je hem dus vaak zien. Voedsel bestaat uit plankton, wormen, insecten en hun larven en plantenresten. Eieren worden van april tot juni afgezet. Dit gebeurt 's nachts op grindachtige en ondiepe oevergedeelten en dit gaat met veel lawaai gepaard. De kleverige eieren hechten zich aan stenen, wortels en planten vast. De tijd tussen het leggen en het uitkomen bedraagt ongeveer een week. Geslachtsrijp worden ze tussen het tweede en derde levensjaar.

  Vetje
Het vetje, Leucaspius delineatus
Het vetje, Leucaspius delineatus
Deze kleine scholenvis met zijn zilverachtige kleur wordt zo'n 7 - 9 cm lang. Een staalblauwe band loopt in de lengterichting over de flanken tot aan de staartwortel. Het lichaam is zijdelings sterk afgeplat. Verspreidingsgebied: Oost-, Midden- en West-Europa (o.a. Nederland). De vissen houden zich op in de bovenste waterlagen. Mede daardoor is deze vis een geliefde vijverbewoner. Je kunt hem vaak zien om intens te genieten van het zich snel heen en weer bewegen van een klein schooltje. Als omnivoor eet het vetje behalve plantendelen en algen allerlei soorten dieren, die niet al te groot zijn. Omdat het een vis is die zich aan het oppervlak ophoudt, hapt hij allerlei insecten op, die zich te dicht in zijn buurt begeven en springt hij zelfs het water uit om deze hapjes naar binnen te slokken.
Afzettijd: van april tot juni. De vrouwtjes bezitten een korte legboor met behulp waarvan ze de eieren ring- en spiraalvormig aan waterplanten of wortels vastplakken. Tot het moment dat de eieren uitkomen, bewaakt het mannetje het broedsel en waaiert zodanig met zijn staartvin, dat er een constante toevoer van vers water richting eieren gaat en bestrijkt dit legsel met infectieremmend slijm van zijn huid ter bescherming tegen schimmelvorming. Afhankelijk van de watertemperatuur komen de larven na 3 - 7 dagen uit. Na twee jaar zijn ze geslachtsrijp.

  Bittervoorn
De bittervoorn, Rhodeus sericeus amarus
De bittervoorn, Rhodeus sericeus amarus
Deze kleine vis, die een hoge rug heeft en aan de zijkant afgeplat is, kan uitgroeien tot een lengte van 6 - 9 cm. De rugkleur is grijsgroen. De flanken vertonen een zilverachtige glans. Hier overheen loopt een blauwgroene band, vanaf het midden tot aan de staartvin.
Verspreidingsgebied: noordelijk van de Pyreneeën en Alpen tot aan het gebied van de Wolga en het noordelijke deel van Klein-Azië. In Europa komt deze vis niet voor op de Britse eilanden, evenmin in Denemarken en Scandinavië. Twee ondersoorten zijn er in het bassin van de Amur en in Noord-China. Ze leven het liefst in stilstaand en langzaam stromend water, dat veel planten herbergt en waarvan de bodem uit zand of modder bestaat. De bittervoorn kan slechts in die wateren leven, waarin de vijver- of schildersmossels voorkomen (of enige andere mosselsoorten uit de Najadenfamilie, red.). Zonder hen kan hij zich niet voortplanten. Dit leidde ertoe, dat in veel water waarin de mosselen door vervuiling uitgeroeid waren, het ook tot vernietiging van deze buitengewone vis kwam.
De bittervoorn kan derhalve alleen maar in die vijvers gehouden worden, die er borg voor staan dat deze mosselen daarin kunnen overleven. Daarom moet het water langdurig getest worden, alvorens deze vissen en zo nodig geschikte mosselen erin uit te zetten. De voeding bestaat hoofdzakelijk uit waterplanten en uit allerlei soorten kleine diertjes. Gedurende het kuitschieten, dat van april tot juni plaatsvindt, is het mannetje één van de kleurrijkste vissen in onze wateren. In die periode kleuren de flanken helderrood, evenals de rug- en aarsvin en het middendeel van de staart. Voor de voortplanting kiest het mannetje een gebied, waarin zich een mossel bevindt. Dit
Schildersmossel  
Schildersmossel, Unio pictorum, waarbij de bittervoorn haar eitjes met een legbuis in de lichaamsholte legt
domein wordt dapper verdedigd. De mossel heeft aan zijn achterkant twee openingen. De onderste, de ademspleet, zuigt zuurstof- en voedselrijk water aan en door de bovenste spleet wordt het gebruikte (zuurstofarme) water evenals de ontlasting uit het lichaam gestoten.
Het vrouwtje observeert de mossel scherp en als deze zijn schaal opent, plaatst ze bliksemsnel haar legbuis in de uitstroomopening van de mossel en zet hierin 1 à 2 eitjes af. Gelijk daarop strijkt het mannetje over de mossel en stoot daarbij zijn homvocht uit. Dit wordt door de mossel via de instroomopening opgenomen. Dit ritueel wordt door hetzelfde paar of door het mannetje met een ander vrouwtje meermalen herhaald.
Eén wijfje legt 40 - 100 eieren. Deze eitjes ontwikkelen zich tussen de kieuwfilamenten van de mossel. Na 2 à 3 weken komen ze uit. Toch is er in dit geval geen sprake van parasitisme, omdat de jonge visjes over hun eigen voedselvoorraad beschikken (de dooierzak). Pas als de dooierzak van de larven bijna verbruikt is, verlaat het jongbroed, dan ongeveer 11 mm groot, de mossel via de anale opening. Ze zijn in het tweede of derde levensjaar geslachtsrijp.

De riviergrondel, Gobio gobio
Deze sociaal ingestelde bodemvis heeft een klosvormig, bijna rond lichaam met een stompe kop. Bij iedere mondhoek bevindt zich een korte baarddraad. De rug heeft een zwakke, zwartachtige glans. Deze kleur kan ook groenachtig of blauwachtig bruin zijn. De zijkanten lijken helderder. Over de flanken loopt tevens een violet tot blauwachtig glanzende lijn, die veroorzaakt wordt door vlekken van verschillende grootte. De lichaamslengte varieert tussen de 8 en 14 cm.
Verspreiding: stilstaand en stromend water in Oost-, Midden- en West-Europa, waarvan de bodem uit kiezel of zand bestaat. Soms wordt deze grondel ook in brakwatergedeelten van de Oostzee aangetroffen. 's Zomers gaat zijn voorliefde uit naar ondiep water, 's winters prefereert hij diep water. Het voedsel bestaat uit wormen, kreeftachtige diertjes (watervlooien, waterpissebedden) en verder nog insectenlarven.
Van mei tot juni is de paaitijd. In deze periode vertonen de mannetjes een bronstuitslag aan de kop en voorkant van het lichaam. De eitjes worden tussen planten en stenen in ondiep water bij de oeverkant afgezet. Naargelang de watertemperatuur komen de larven na 10 - 30 dagen uit. Na 1 à 2 jaar zijn ze geslachtsrijp.

Riviergrondel
De riviergrondel, Gobio gobio


Ten slotte
Het samenhouden van al deze vreedzame vissoorten in één vijver is niet aan te bevelen, omdat het aantal vissen te talrijk zou worden.
Het beste is om je met één of twee, maar hooguit drie soorten tevreden te stellen en het bestand niet al te groot te maken. Als de vissen onder optimale voorwaarden in een (bijna) natuurgetrouwe vijver tot nageslacht komen, denk er dan eens aan om een teveel weer in natuurgebieden uit te zetten in overleg met de beheerder. Een andere mogelijkheid is om ze te schenken aan een vijverbezitter, die in deze soorten is geïnteresseerd.