|
Gezelschapsaquaria Tekst: W. Wilhelm & D.M. Plokker Het onderdeel esthetisch/compositie Onder aquariumhouders is bekend, dat het onderdeel compositie een moeilijk punt is bij de inrichting van hun aquaria. De keuringswijzer geeft wat aanwijzingen, zoals contrast in bladvorm en kleur, gebruik van decoratiemateriaal, bekleding van de wanden enz. De landelijke huiskeuring laat zo diverse mogelijkheden zien, waardoor het resultaat vaak als voorbeeld voor anderen kan dienen. Ook dit jaar zijn er weer opmerkelijke resultaten bereikt, soms zelfs heel creatief. Bekend is, dat de handgreep van 'de gulden snede' een goede leidraad kan zijn. Als zodanig komen we dan tot de invulling van de zogenaamde sterke punten, die de inrichting van het aquarium een sterk compositorisch beeld geven. Daarnaast spreken we van 'lijnvoering' om diepte te suggereren of het sterke punt van het aquarium te benadrukken. Op het symposium ter gelegenheid van het NBAT-jubileum vorig jaar hield bondskeurmeester Cor Stam een uitstekende voordracht over dit onderwerp. Zo gaf hij aan, dat een trend zou kunnen zijn, dat het sterke punt wordt ingevuld door een combinatie van meer dan alleen een mooie solitaire plant. En zie daar, bij deze landelijke huiskeuring blijkt deze trend al bewaarheid te worden en ingevuld op een creatieve manier. Zo zien we combinaties van Glyceria en het Windeløv-varentje (Colysis pteropus 'Windeløv' syn. Microsorum pteropus 'Windeløv'), van Crinum en een kleine lage lotus. Deze trend blijkt vooral het oosten van het land te raken. Trend in het westen wordt meer gevormd door de aanwezigheid van de fraaie, maar wat broze Ottelia ulvifolia met mooie overbuigende bladeren. Ook de lijnvoering heeft de aandacht van de deelnemers d.m.v. de bekende straatjes, die de aandacht doorgaans naar achteren leiden om meer diepte te suggereren. Straatjes, die de aandacht in de richting trekken van het sterke punt in het aquarium zijn er wat minder. Sterk onder de deelnemers komt het vormen van wat grotere groepen planten naar voren. Een deelnemer is zeer creatief omgegaan met de inrichting van zijn aquarium. Hij bereikte een sterke dieptewerking door een zogenaamde fly-over, een sterk opvallend element in het aquarium. Ten slotte wordt nog opgemerkt, dat veel deelnemers naast elkaar veel soorten scholenvissen houden. Op zichzelf is daar natuurlijk niets tegen. Toch zou, naar analogie van het uitgangspunt bij de inrichting, om te werken met bijvoorbeeld een solitaire plant ook een solitair paar vissen gehouden kunnen worden, die de aandacht van de toeschouwer/liefhebber zouden kunnen vangen. Dat wordt nog weinig toegepast en waar dat wel het geval is, blijven de dieren vaak voor de keurmeester verborgen. Waterregime Er wordt een grote verscheidenheid aan watervoorbehandelingstechnieken gebruikt. Demiwater uit omgekeerde osmose (osm.) wordt 3 x gebruikt, demiwater uit kation-anionwisselaar (KAW) wordt 1 x gebruikt, Regenwater (R) wordt 4 x gebruikt. Leidingwater (L) wordt 6 x gebruikt, waarvan slechts 2 x puur. Water uit eigen put wordt 1 x gebruikt. Uiteindelijk komen 11 van de 14 deelnemers uit op waarden van 400 µS/cm of minder. De EGV wordt behalve door het uitgangswater en het verversingswater ook beïnvloed door de toegevoegde plantenpreparaten en waterbehandeling (pH-min, eikenextract etc.). Dit onderwerp is een nadere studie waard. Als experiment is tijdens deze keuring de meting van het sporenelement mangaan meegenomen. Dit element speelt een belangrijke rol bij de beworteling van planten. Het is in diverse plantenmeststoffen aanwezig. De gemeten waarde heeft geen enkele rol gespeeld bij de beoordeling, aangezien het nog te vroeg is om een norm te stellen. De 3 houders die kozen voor een systeem zonder C02-toevoegingen kwamen uit op een gemiddelde pH van 7,5. De 11 houders met toevoeging op een gemiddelde pH van 7,4. De pH-vergelijking zou nog gecorrigeerd moeten worden voor het tijdstip van de dag. Dan blijkt dat de 3 deelnemers zonder C02-toevoeging ook nog eens na 18.00 u. gekeurd zijn. Er lijken dus nog ander mechanismen operationeel te zijn om een lage pH te bewerkstelligen. Hun gemiddelde EG = 433 µS/cm en KH = 5,7° DH. Die van de andere 11: EG = 365 µS/cm en KH = 4,8 DH. Visbestand Onder verwijzing naar de tabel 'Overzicht aquariumvissen LHK 2001' wordt opgemerkt, dat veel deelnemers houden van scholenvissen, soms verscheidene scholen van verschillende soorten naast elkaar. Veel roodneuzen, Kongo's, kardinalen en diamantzalmen. Ietsje meer karperachtigen dan bij de speciaalaquaria. Nauwelijks meer labyrintvissen. Een aanzienlijke beperking van het aantal en de diversiteit van meervalachtigen. Nauwelijks levendbarende tandkarpers. Maar ook betrekkelijk weinig cichliden. Plantenbestand De beplanting gerealiseerd door de deelnemers LHK 2001 levert hier en daar discussiepunten op. Als eerste bespreken we de 'kweekvormen'. Als we de Javavaren var. 'Windeløv' accepteren en als we Echinodorus-cultivars accepteren en als we Cryptocoryne-hybriden accepteren, dan kunnen we moeilijk bezwaar maken tegen een rosanervige Hygrophila polysperma of een gouden Lysimachia nummularia (penningkruid). Bij de eerste kan nog aangevoerd worden, dat dit het gevolg van een virusinfectie zou kunnen zijn. Voor zover we weten, is dit echter nog niet veel meer dan een suggestie en het verklaart niet de rozekleuring (zie o.a. Kasselmann). Als tweede ligt er het punt van de temperatuurtolerantie. Concrete maatgevende data, die we betrouwbaar achten, vinden we in C. Kasselmann's Aquarienpflanzen (ISBN 3-8001-7298-4) bijlage pag. 442 - 445. Voor Hottonia palustris staat daar: Optimum: 18 - 25, maximum 30° C. H. inflata. zou volgens Kasselmann minder goed groeien in tropische aquaria. Zien we in de praktijk van het keuren het verschil? Onze aanpak: bekijk hoe de plant er uitziet en beoordeel bij gezondheid vegetatie.
Keuren, hoezo? |