Tekst en - tenzij anders vermeld - foto's: Joop Brokke Ook in het water zie je dingen, die je daar niet zou verwachten. Wat dacht u van een wandelend takje? Het was een van de dieren, waar ik vroeger als kleine jongen met verbazing naar keek. Nee, ik bedoel niet de wandelende takken die we tegenwoordig wel eens in natuurfilms zien en die door insectenliefhebbers worden gehouden. Deze wandelende takken zijn trouwens ook zeer interessant, en niet alleen vanwege hun speciale aanpassingen aan de omgeving waarin ze leven. Ze zijn soms absoluut niet te onderscheiden van takjes of bladeren, zo goed zijn hun vorm, kleur en gedrag daarbij aangepast. Nee, ik doel nu op de kleine takjes, die over de bodem van een sloot kruipen. Je ziet het goed, een takje dat over de bodem van de sloot wandelt, en als je goed kijkt zie je aan de voorkant een klein soort rupsenkopje en een paar pootjes zitten. Het huisje van dit dier is gemaakt uit materiaal, dat in de sloot te vinden is. De Nederlandse naam is kokerjuffer. Het zijn larven van vliegende insecten, schietmotten. Deze dieren zijn ondergebracht in een geheel eigen orde, die in het Latijn Trichoptera wordt genoemd. Ze hebben niets gemeen met vliegen of muggen, maar zijn meer verwant aan vlinders. Van kokerjuffers zijn meer dan 900 soorten bekend, waarvan er ruim 300 in Europa voorkomen. Bepalen welke soort het is, kan vrijwel alleen met zekerheid gedaan worden aan de hand van de bouwwijze van de kokers en dat kan weer alleen als ze een koker bezitten, want er is ook een grote groep larven die geen koker maakt. De larven van de meeste schietmotten zitten echter in een koker, waar ze niet vrijwillig uitkomen. Het dier kan zich volledig terugtrekken in de koker, wanneer er gevaar dreigt. Deze soorten maken hun eigen koker en beginnen met het spinnen van de kokerbasis. De spinklier is goed ontwikkeld en de larve scheidt hiermee een stof af die in het water snel verhardt, maar wel elastisch blijft. Met de poten en de mond maakt ze hier het begin van de koker mee, zodat zo snel mogelijk haar weke lijf beschermd is.
De larve bouwt de koker steeds verder uit en dat moet wel, want het dier vervelt en wordt steeds groter. De uitbouw is altijd aan de voorkant. Het kan zelfs zo zijn, dat het achterste gedeelte te nauw wordt tijdens de groei. Dan wil het nog wel eens gebeuren dat dit gedeelte onbewoond is. De kokerjuffer, die zich in de koker kan omdraaien, bijt dan het laatste gedeelte eraf, zodat ze dit niet hoeft mee te slepen. Soms valt het ook vanzelf af. Het materiaal waarvan de koker gebouwd wordt, kan zeer uiteenlopend zijn: stukjes riet, bladstukjes, dennennaalden, zandkorrels, stukjes tak, stukjes van lege slakkenhuisjes, mosselschelpjes enz. De dieren die in snelstromende wateren voorkomen, hebben de gewoonte om er zwaarder materiaal voor te gebruiken dan de soorten die langzaam stromend of stilstaand water bewonen.
Rotsplanten Een van de schuilplaatsen waar de schietmot zich overdag verborgen houdt, zou een klein rotspartijtje bij de vijver kunnen zijn. In die rotspartij, of die nu gemaakt is van echte rotsstenen of van afvalmateriaal zoals kapotte tegels, stukken steen en dergelijke, kunnen we leuke rotsplantjes neerzetten.
Planten zoals verschillende soorten Sedum en Sempervivum zijn best de moeite waard om eens naar te kijken en in diverse tuincentra is meestal wel een aantal snelgroeiers te koop. De grootste collectie rotsplanten vindt u in de botanische tuin van de Universiteit van Utrecht. Deze tuin is zeker een bezoek waard. U kunt er ruim 1.600 soorten zien.
|