|
Tekst en foto's: Harry Voet (Mechelse Aquarium Klub) Eén van de vissoorten, waarop ik sterk gebrand was om er een aantal van mee naar huis te nemen na onze reis in 1982 door Sri Lanka, was wel Barbus cumingi. Op een tentoonstelling van onze club had ik ooit deze mooie vissoort kunnen bewonderen en sindsdien had ze steeds op mijn verlanglijstje gestaan... Alleen, ik had ze nog nooit in het Mechelse te koop aangetroffen. Toen dus de heer Alexius, onze gastheer op Sri Lanka, ons op de laatste dag van ons verblijf alle gevraagde vissoorten aanbood, maakte ik er dankbaar gebruik van om er tien mee te nemen naar België. Ze overleefden alle prima de reis en dus was de volgende stap vanzelfsprekend er een kweekpoging mee te ondernemen. Gilbert Maebe, die er ook meegebracht had, was er ondertussen al in geslaagd een flink nakweekresultaat te verkrijgen en dus was ik vol vertrouwen, dat het me ook wel zou lukken. Dat bleek echter niet dadelijk het geval te zijn. Pas na drie vergeefse pogingen lukte het de vierde maal!
Uitgaande van eerdere kweekervaringen met andere vissoorten, had ik de eerste drie keer het tl-licht gedempt gehouden door de bak bovenaan af te schermen met een bruin vel inpakpapier. Ten slotte - een beetje gefrustreerd door mijn mislukkingen - ging ik mij er eens over bezinnen, waarom het Gilbert wel lukte en mij niet. De inrichting van mijn kweekbak was volkomen indentiek aan de zijne. Zelfs het regenwater, dat ik gebruikte, kwam uit zijn regenput (100% goedkoper dan de Spa Reine, die ik - als appartementsbewoner zonder regenput - voorheen gebruikte). Ik kwam tot de slotsom, dat het enige verschil gelegen kon zijn in de lichtsterkte, die de kweekbak ontving. Gilberts kweekinstallatie bevindt zich in een aan zijn huis aangebouwd serretje en krijgt rijkelijk bovenlicht. Had hij zijn kweekbak afgeschermd? Ik wist het niet. Niet dat hij er een geheim van maakt, ik had het hem alleen niet gevraagd. Ik zou het maar eens zonder afscherming proberen. En zie... het lukte! Of het nu echt te danken was aan de grotere lichtsterkte, kan ik natuurlijk niet met volledige zekerheid beweren. Er kunnen nog andere factoren in het spel geweest zijn, zoals de keuze van de kweekpartners, de kuitrijpheid van het wijfje enz., maar ik neig er wel toe het te geloven. In elk geval, mocht het u zoals ik ook niet dadelijk gelukken B. cumingi te kweken, experimenteer dan eens met het licht. Het is beslist geen probleemvis, want ook een derde mede-expeditielid, MAKker Frans Proost, lukte het zijn meegebrachte vissen tot nakweek te bewegen en... driemaal is scheepsrecht! Maar terug naar de kweekgegevens, de kweekbak, 40 x 30 x 30 cm groot, werd ingericht met een afzetmat (groene plastic deurmat, dicht bezet met korte, stijve borstels, algemeen te koop), verwarming en een lichte doorluchting. Boven op de afzetmat kwam, als afzetsubstraat, een grote dot Javamos en een met een steentje verzwaard bosje Myriophyllum. Het regenwater (1 DH, pH 6,5) werd op 25° C gebracht. Het kweekkoppel werd 's avonds ingezet in de hoop - zoals veelal gebeurt - dat het 's anderendaags aan de slag zou gaan. Er ging echter een dag overheen, maar dan ging het er goed op los een volle vier uur lang, van plm. 8 uur tot 12 uur. Met telkens een korte tussenpauze drong het vrouwtje - vaak zeer diep - in de wat uiteengetrokken mosdot door, gevolgd door het mannetje, dat langszij kwam en zijn staart achter de rugvin over de rug van het vrouwtje krulde, waarna uitstoting van de geslachtsprodukten volgde. Elke afzonderlijke afzetting duurde slechts luttele seconden. Toen 's middags het wijfje belangstellend het mos begon af te speuren naar eitjes, werd het kweekkoppel uitgeschept.
Opvallend was de trage groei van de nakweek, wat des te meer duidelijk werd doordat ik 9 dagen na de gelukte afzetting van B. cumingi een legsel verkreeg van Danio devario. Hoe deze laatste soort de andere glansrijk overtreft in groeisnelheid, mag blijken uit de volgende nota's op mijn kweekfiches, welke gelijk gedateerd zijn : B. Cumingi plm. 10 - 12 mm (na 31 dagen), D. Devario plm. 20 mm (na 22 dagen), dus ongeveer het dubbele op kortere tijd. Ter vergelijking raadpleegde ik ook nog eens de kweekfiche van Barbus nigrofasciatus, die 10 - 12 mm bereikte in 22 dagen. Nu is Danio devario naar mijn mening een wel zeer snel groeiende vis, maar ook ten opzichte van B. nigrofasciatus was er toen dus al een achterstand van zowat 9 dagen om dezelfde lengte te bereiken. Tot 2 à 2,5 cm ging het echter nog vrij goed vooruit, nadien zakte het groeitempo nog meer af. Nu na ruim een jaar is hun lengte nog steeds minder dan die van hun ouders, namelijk 3 - 4 cm tegenover 5 - 5,5 cm voor de ouders.
Bij het vergelijken van de kweekfiches van B. cumingi en B. nigrofasciatus vielen mij enkele punten van overeenkomst op, die de jongen van beide soorten vertonen als ze zowat 8 à 9 mm lang zijn - ik heb namelijk de gewoonte schetsjes te maken van de ontwikkeling. Zo bezitten ze beide een lichtende, gele vlek op de staart, voorafgegaan door een zwarte en is er bij beide zwart op te merken aan de eerste rugvinstralen. Ook zien we bij beide een zwart vlekje achter de aars.
Hoe groot het kweekresultaat nu eigenlijk was, kan ik niet zeggen, aangezien ik nooit een totale telling heb gedaan, maar een 300-tal lijkt mij een redelijk accurate schatting. Productief genoeg dus, maar voor commercieel denkende kwekers is de soort nogal oneconomisch in de opfok tot verkoopbare grootte. Dit is echter voor de echte liefhebbers een reden te meer om door eigen kweek de soort in omloop te houden, want ondanks hun trage groei zijn het, zelfs vanaf geringe grootte, mooi getekende en smaakvol met kleur bedachte visjes. |