|
Tekst en foto's: J. Hoffman Deze schitterende vlinder komt voor langs de Middellandse-Zeekust en in Ethiopië tot in equatoriaal Afrika, inclusief Soedan en Oeganda. Een aantal eitjes werd in Calonge, Costa Brava, Noord-Spanje gevonden en verder opgekweekt. Hier volgt een verslag. De wetenschappelijke naam van deze vlinder, die in Spanje el Bajá wordt genoemd, is Charaxes jasius en behoort tot de Nymphalidaefamilie. De dagpauwoog (Inachis io) en de kleine vos (Aglais urticae), die in Nederland voorkomen, worden hier bijvoorbeeld ook toe gerekend. De soorten uit het Charaxes-genus zijn vooral algemeen in Afrika. De exemplaren die in Ethiopië en equatoriaal Afrika leven, worden resp. C. jasius epijasius en C. jasius saturnus genoemd en als twee ondersoorten beschouwd. Het zijn krachtige vliegers met een stevig lichaam, die worden aangetrokken door rottend fruit, boomsappen en uitwerpselen. Vlinderverzamelaars maken gebruik van dit feit en lokken de vlinders met bier in combinatie met gistend fruit. In Spanje ziet men ze vaak in de nabijheid van vijgenbomen, waarvan de vruchten een grote aantrekkingskracht op ze uitoefenen.
De vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes (75-85 mm). De vlinders vliegen in twee generaties, nl. in mei-juni en augustus-september. De eitjes werden in september gevonden op de aardbeiboom (Arbutus unedo), de voedselplant van de rupsen. Het is een kleine, groenblijvende boom met een knoestige, afschilferende schors en witte heideachtige bloemen, behorende tot de orde der Ericaceae. De rode vruchten zijn eetbaar, maar hebben een flauwe smaak.
Tijdens de ontwikkeling wordt een aantal malen verveld. Om te groeien moet de rups de oude, te nauw geworden huid afwerpen. Daaronder zit een nieuw, ruimer velletje. Ook het kapsel om de kop wordt afgeworpen. Voor de vervelling stoppen de rupsen een aantal dagen met eten en moeten in deze kwetsbare periode niet gestoord worden. Het naar voren geschoven kopkapsel is een goede indicatie, dat een vervelling aanstaande is.
Voor de verpopping zoekt hij een geschikte plek op de voedselplant. Dit is vaak onder aan een blad. Eerst wordt het darmkanaal geleegd en begint de rups een stevig, zijden kussentje te spinnen. Hier bevestigt hij de punt van het achterlijf met haakjes aan vast. Zo blijft hij vier dagen in gebogen toestand hangen. Daarna vervelt hij en komt de pop tevoorschijn, die na enige tijd zijn definitieve vorm krijgt en uithardt.
Ook de pop is dankzij vorm en kleur erg goed gecamoufleerd. De vlinder kruipt na enkele weken uit de pop, wat telkens weer een bijzondere gebeurtenis is. Het uitkomen geschiedt meestal vroeg in de ochtend. Na het oppompen en drogen van de vleugels is de vlinder vliegklaar en gaat op zoek naar voedsel en een partner. Literatuur Elseviers vlindergids, L.G.Higgins en N.D. Riley Elsevier Nederland B.V., Amsterdam/Brussel, D/MCMLXXX/0199/153, ISBN 90 10 000175x |
|||||||||||||||||||||||||||