
Tekst en foto's: Joachim Frische, vertaling: H. Alblas
De familie van de koraalklimmers is met 35 soorten ingedeeld in tien geslachten en is
verhoudingsgewijs een kleine groep zeevissen. De meeste soorten bereiken nauwelijks
een grootte van meer dan 15 cm. Een uitzondering vormt de reuzenkoraalklimmer
Cirrhites rivulatus uit het oostelijke gedeelte van de Grote Oceaan, die een
lengte van rond de 60 cm bereikt. Koraalklimmers onderscheiden zich door
één of meer haarborstels aan de uiteinden van de rugvinstralen. De
cirrhi genoemde haarborstels gaven de koraalklimmers de wetenschappelijke
familienaam Cirrhitidae.
| |
 |
|
Zoals op deze foto te zien is Neocirrhites armatus
een vreedzame vis van zijn geslacht; Zebrasoma flavescens heeft van deze baars niets te vrezen |
Alle soorten koraalklimmers hebben een aan de bodem gebonden
levenswijze. Door deze aanpassing ontbreekt een zwemblaas,
terwijl de buikvinstralen verlengd zijn, waarmee de vissen zich ondersteunen.
De territoriaal levende koraalklimmers prefereren in hun territorium een
verhoogde standplaats, waar ze urenlang roerloos kunnen blijven zitten en
de kans afwachten hun prooi te kunnen verschalken.
Koraalklimmers zijn baarzen en zijn derhalve bij de jagers in te delen
en kunnen daarom ook kleine vissen en garnalen als voedsel grijpen - als
zich daartoe de gelegenheid voordoet. Daarom is bij de koop van de
meeste koraalklimmers van tevoren goed overleg nodig, want er mag wel aan
worden getwijfeld of de aquarist erg enthousiast zal zijn als zijn
koraalklimmer plotseling een visje of garnaal te pakken neemt.
Om deze ervaring te voorkomen zullen we ons hier uitsluitend
met de prachtig gekleurde vis Neocirrhites armatus, de rode
koraalklimmer, bezighouden. Deze koraalklimmer, waarvan de grondkleur zeer
fraai en vuurrood is, komt met importen uit Hawaii in de handel. Zoals
de meeste uit Hawaii komende vissen, is ook de rode
koraalklimmer vrij duur. Een zelfde vuurrode kleur vertoont ook de
eveneens uit Hawaii komende dwergkeizersvis Centropyge loriculus.
De biotoop van de rode koraalklimmer strekt zich niet alleen uit rond de
eilanden van Hawaii, maar hij is in het gehele gebied van de Grote Oceaan,
vanaf Japan tot Australië aan te treffen. Met een maximale lengte van
rond de 10 cm is het een kleinblijvende baars, die door zijn grootte goed
voor het rifaquarium geschikt is.
 |
|
|
Op grond van zijn geringe grootte van maximaal 10 cm is de
vreedzame rode koraalklimmer uitstekend geschikt voor het rifaquarium |
Koraalbaarzen (en Neocirrhites armatus is geen uitzondering)
leven in hun natuurlijk biotoop in kleine groepen samen in een
haremstructuur. Een groter mannetje bezit meer vrouwtjes, waarmee hij
in de avondschemering regelmatig paart. Bij de koraalklimmers is er
sprake van pelagisch legsel, waarbij de eieren en zaadcellen dus vrij in
het water worden afgezet. Een broedverzorging is dus uitgesloten.
Bij enkele soorten binnen de familie van de koraalklimmers kunnen door de
kleur geslachtskenmerken worden vastgesteld. Zo is van de
spitssnuitkoraalklimmer Oxycirrhites typus bekend, dat bij de
mannetjes bij de staart- en anaalvin een zwarte band zichtbaar is.
Bij Neocirrhites armatus daarentegen zijn geen verschillen tussen de
geslachten bekend. Weliswaar gaan vandaag de dag (2003) veel wetenschappers
ervan uit, dat koraalklimmers de mogelijkheid bezitten van geslacht te
veranderen en dat de grootste en sterkste dieren zich in mannetjes kunnen
veranderen, ter wijl de overige soortgenoten van een groep van het vrouwelijke
geslacht blijven.
 |
|
|
De spitssnuitkoraalklimmer Oxycirrhites typus is door de
zwarte zoom bij het mannetje zowel bij de staartvin alsook bij de anaalvin goed te
onderscheiden |
Aangezien de rode koraalklimmer een kleinblijvende vertegenwoordiger van
zijn familie is, moet de aquarist(e) beslist drie tot vier dieren van deze
soort aanschaffen, waarbij hij/zij erop moet letten dat slechts een van de
dieren groter is dan de overige. Op deze manier verkrijgt hij/zij de gewenste
groep, waarin de dieren moeten worden gehouden. De verzorging in het
aquarium is bij de meeste koraalklimmers eenvoudig, aangezien ze
gedurende de acclimatiseringsperiode noch problemen met de voedselopneming
geven, noch bijzonder kwetsbaar zijn voor ziekten. Een uitzondering vormt hier
echter de rode koraalklimmer. Juist de kwetsbaarheid voor ectoparasieten is mij
opgevallen in het rifaquarium. Als oorzaak hiervan kan naar mijn mening
het netelgif van de sterk netelende ongewervelden worden genoemd.
Dit gif beschadigt de slijmhuid van de koraalklimmers en daarmee de
permeabiliteit jegens ectoparasieten. De gevoeligheid voor netelgif is
daaraan te wijten, dat veel in een rifaquarium gehouden neteldieren uit
de Indische Oceaan stammen en voor de rode koraalklimmer onbekend
zijn. Deze gevoeligheid voor het netelgif is echter begrensd, want na
ongeveer 14 dagen zijn de parasitaire symptomen verdwenen, hetgeen op
een aanpassing van de slijmhuid wijst jegens het netelgif. Tot dit punt
is echter de verzorging riskant te noemen, alhoewel de vis het aangeboden
voedsel niet weigert. Vervolgens veroorzaakt de rode koraalklimmer
meestal geen problemen meer. Desondanks is er zonder twijfel van de kant
van de koraalklimmer een zekere vitaliteit nodig om de 14 dagen te
doorstaan. In het aquarium moeten er geen vissen aanwezig zijn, die
Neocirrhites armatus opjagen of bedreigen, want dit zal tot een belasting
van de lichamelijke weerstand van de vis leiden en hem nog meer
ontvankelijk maken voor ectoparasieten. Welke
vissen ten opzichte van de koraalklimmer agressief reageren, kan niet
ondubbelzinnig worden beantwoord.
| |
 |
|
Het zal u misschien verbazen, maar in mijn aquarium kan Paracirrhites arcatus
van geslacht worden onderscheiden; de felle kleuren zijn sprekend voor het vrouwtje |
In principe komen echter andere koraalklimmers en eender gekleurde vissen
hiervoor in aanmerking. Dat het menigmaal tot verrassingen kan
komen bij dergelijke inschattingen toont de waarneming, dat de
anemoonvis Premnas biaculeatus de koraalklimmer opjaagt, zodra die hem
in de gaten krijgt. De oorzaak hiervan is niet bekend, aangezien de vermelde
anemoonvis al 9 jaar in mijn rifaquarium leeft en die tijd heb ik geen
slechte ervaring met rood gekleurde vissen gehad. Afgezien van dit
onverwachte gedrag van de kant van de anemoonvis hebben andere
vissen tegenover Neocirrhites armatus nooit enige agressie getoond. Ook
belangrijk zijn goede schuilmogelijkheden en holen voor het welzijn
van de vis, waarin hij zich volledig kan terugtrekken. Aan deze eisen
wordt in de regel bij een goede, decoratieve inrichting wel voldaan.
Als voedsel voor de koraalklimmer is alle kost geschikt, dat door de handel
in diepgevroren vorm wordt aangeboden, maar ook vlokkenvoer wordt
niet versmaad. Met betrekking tot de roofzuchtige levenswijze kan worden vermeld,
dat de vrees niet is uitgekomen, dat kleine vissen zoals Assessor flavissimus
en de poetsgarnaal Lymmata amboinensis door de 5 cm grote rode koraalklimmer
werden aangevallen. De lievelingsplaats van Neocirrhites armatus bevindt zich
op een steenkoraal van het geslacht Favia. In zijn natuurlijk biotoop geeft de rode
koraalklimmer de voorkeur aan de steenkoralen van de geslachten Pocillopora en
Stylophora.
| |
 |
|
Het geslachtsverschil kan slechts door middel van genetisch onderzoek worden
vastgesteld, terwijl de meer flets aandoende kleur eerder aan het mannetje moet worden toegekend |
Tot slot kan worden gezegd, dat het houden van de rode koraalklimmer in een
rifaquarium kan worden aanbevolen. De vis is zeker niet voor de beginner geschikt
en is slechts voorbehouden aan de ervaren zeeaquarist. Nu blijft ten slotte nog de
vraag waarom door mij momenteel een dier van deze soort wordt verzorgd, terwijl
die hier in 'de niet aanbevolen groep' wordt geplaatst. De oorzaak hiervan ligt in
het feit, dat ik 2 dieren in de eerste 14 dagen heb verloren. Ze vielen ten offer
aan de anemoonvis Premnas biaculeatus, die de vissen in die periode heeft
aangevallen en opgejaagd. Door uitputting was hun vitaliteit verminderd. Deze
ervaring onderstreept nogmaals de belangrijkheid van gezonde en vitale koraalklimmers.
De aanvankelijke kwetsbaarheid ten opzichte van ectoparasieten doen Baensch &
Debelius (1992) in de Zeewater-Atlas tot de slotsom komen:
'Hoewel hij (Neocirrhites armatus) een zeer mooie en dure aquariumvis is,
kan hij maar moeilijk gewennen en heeft hij zuurstofrijk, bewegend water nodig
en is uiterst kwetsbaar. Men moet daarom van de vangst en het houden ervan in
een aquarium afstand nemen.' |