|
Tekst en foto's: Michel Keijman
Verder naar het midden van het land treffen we het wereldwonder, het Panamakanaal aan. Dit in het begin van de twintigste eeuw gegraven kanaal zou later een enorme bron van inkomsten blijken voor de Verenigde Staten, die vele tientallen jaren de absolute alleenheerschappij over dit kanaal opeisten, maar aansluitend ook een beetje Panama zelf, dat in een laat stadium deze rechten van de Verenigde Staten overgedragen heeft gekregen. Het gegraven kanaal loopt via het reeds bestaande meer van Gatun en vormt een prachtige verbinding tussen de aan de noordoostkust van Panama gelegen Atlantische Oceaan en de zuidwestelijk gelegen Grote of Stille Oceaan. Het geluk dat het meer van Gatun hiertussen ligt, heeft het graven van het kanaal met vele jaren verkort. Zelfs in het meer van Gatun liggen natuurgebieden die voor de normale bezoeker verboden gebied zijn, daar er zich in de groene wereldjes dieren bevinden, die endemisch, dus alleen maar in die kleine stukjes natuur, voorkomen. Bekende onderzoeksinstituten als het Smithsonian Institution doen hier al vele jaren onderzoek naar de flora en fauna van deze groene eilandjes (waarvan Isla Barro Colorado het bekendste is) in het meer van Gatun. De landzone om het meer van Gatun bevat ook ware groene oases, die nog door vele tropische dieren worden bewoond. Papegaaien, toekans, pijlgifkikkers, maar ook miereneters, luiaards, brulapen en jaguars komen hier voor. Verder naar het zuiden, ten oosten van het Panamakanaal, begint het Darienoerwoud. Dit laatste nog aaneengesloten stuk oerbos overschrijdt de landsgrens met Columbia, waar het nog een groot deel van het landoppervlakte bestrijkt. Dwars door het 'groene hart' van Panama loopt de Carretera Interamericana, die in Mexico begint en via Guatemala, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica in Panama eindigt. Het eindpunt van deze eens geplande doorsteek door Centraal-Amerika ligt in Yaviza bij de rivier de Chucunaque. Dat er zeker in het Dariengebied niet meer over een weg gesproken mag worden, moge wel duidelijk zijn, want deze 'weg' bestaat vanaf het Bayanomeer uit niet meer dan een breed zandpad, verstevigd met gebroken kiezel en grote stenen.
Dit meer, dat een verbinding vormt tussen de gedeelten van het Panamakanaal, is een enorm bassin, dat gevoed wordt door rivieren als Cirí, Trinidad en Gatun. De helderheid van het meer hangt hoofdzakelijk af van de windrichting en de standplaats, waar je je op dat moment bevindt. De boten, die over het meer varen, hebben hier geen invloed op, maar over het algemeen kan gezegd worden dat het water helder is. De waterwaarden, die ik in de maand januari 1998 (in de droogteperiode) nabij de sluizen in het meer van Gatun heb gemeten, zijn de volgende: pH 7,4, µS/cm 790 bij een watertemperatuur van 30° C. In dit grote meer bevindt zich een visfauna, die nog deels natuurlijk is, maar ten dele ook door mensenhand uitgezet. We praten hier dan over van origine uit Zuid-Amerika stammende geslachten en soorten als Astronotus occellatus en Cichla occellaris. Deze laatstgenoemde gigant en visrover is in de jaren zestig in het meer uitgezet en is nu in het gehele meer vertegenwoordigd. Een snorkeltocht langs de oever van het Gatunmeer ter hoogte van de Gatunsluizen leerde mij, dat zowel Astronotus occellatus als Cichla occellaris zeer schuw zijn en bij de minste benadering in de tot aan het oppervlak reikende muren van waterplanten wegschoten. De Cichla's, die in het meer van Gatun voorkomen, bezitten over het gehele lijf prachtige, zilverwitte stippen en hebben een mooie, rode zone in het kaakgedeelte.
Tijdens het bezoek aan het meer van Gatun kon ik op een diepte van 4 tot 5 meter grote gaten in de drassige bodem ontdekken, maar daar geen vissen bij herkennen. Deze grote ca 60 cm brede en soms wel 20 cm diepe gaten waren broedkraters van Cichla occellaris. Onderzoek leerde dat de nesten op dat moment wel in gebruik waren, daar er larven en soms jonge visjes in zaten. Ook hier had het ouderdier of de ouderdieren (over de broedzorg van Cichla occellaris is nog niet veel bekend) het nest door onze aanwezigheid snel verlaten en verdedigde hun jongen dus niet. Wel viel op, dat het aantal larven of jongen in de verschillende nesten enorm hoog was. Andere in het meer voorkomende vissoorten zijn Vieja maculicauda en V. tuyrensis en karpers, die weer door menselijke hand zijn uitgezet om aan de faunavervalsing mee te doen. Vieja maculicauda is in het meer van Gatun dominant aanwezig, wat gezien het aantal broedverzorgende exemplaren wel duidelijk werd. Prachtige, met dieprode zones in het kop- en borstgedeelte gekleurde exemplaren, die afmetingen hadden van wel 30 cm, zwommen veelal in de nabijheid van de oevers, maar toch wel bijna altijd tussen de waterplanten, die tot aan de oevers toe doorgroeiden. Doordat Vieja maculicauda niet zo schuw is als bijvoorbeeld Cichla occellaris, kon ik deze soms tot op wel 2 meter afstand naderen en goed gadeslaan. Een andere vis, die ik tijdens mijn snorkeltocht echter maar zelden tegenkwam, was Vieja tuyrensis. Ook deze soort is net als Cichla occellaris zeer schuw en vlucht bij de minste of geringste ontmoeting weg. Het verspreidingsgebied van Vieja tuyrensis begint in het meer van Gatun en eindigt in het zuiden van Panama in het Río Chucunaque-bekken. Deze alleen maar in Panama voorkomende soort is geen spectaculaire vis, een reden waarom hij waarschijnlijk zeer zelden in het aquarium aan te treffen is. Als grondkleur heeft deze tot 30 cm groot wordende soort een grijze tint met puntjes en streepjes. Al naar gelang de stemming kan het kopgedeelte donker tot zwart kleuren en treden er verticale dwarsbanden op de flanken op, die deze vis dan een contrastrijke tekening geven. Deze tekening draagt de soort constant bij broedzorg.
De Río Cuango __ Panama Stad ligt op ongeveer twee uur rijden van de kust. Rijdend over de smalle kustweg richting Portobelo en genietend van de nu al prachtige uitzichten over de Caraïbische zee aan de linkerkant en de steeds groener wordende landschappen aan de rechterkant begint de nare smaak van het stadse langzaam te verdwijnen. Net voor het plaatsje Portobelo stop ik aan de kant van de weg om bij de oude resten van een uit 1597 stammende Spaanse vesting (de Spanjaarden gebruikten deze kleine vesting als verdedigingsplaats voor de totale Caraïbische kust van Panama) te gaan kijken. Een paar overblijfselen van muren met daarop een aantal oude kanonnen geven weer, waar eens dit fort moet hebben gestaan. Bij Palenque hield de 'normale' weg op en vroegen we of er verderop een rivier aanwezig was. Dit bleek zo te zijn: na ongeveer 10 minuten rijden over een stoffig karrenspoor troffen we een prachtige, helder stromende rivier aan, die de naam Cuango droeg. Deze rivier had iets maagdelijks en nadat we de waterwaarden hadden gemeten (pH 6,0, 1050 µS/cm bij een watertemperatuur van 28,5° C), konden we het dan ook niet weerstaan om direct onze spullen te pakken en in het heerlijk warme water te gaan snorkelen. Onderwater bleek er veel leven aanwezig. Zo troffen we hier vissoorten aan, die ik in menig ander Centraal-Amerikaans land nog niet had gevonden. Om maar enkele soorten te noemen: Gobiesox nudus, een Gobius-achtige, die zich volledig heeft aangepast aan het leven in snelstromend water. Met een speciale zuignapconstructie hecht deze vis zich aan stenen om in de volle stroming alg te schrapen. Verder troffen we hier ook nog een vertegenwoordiger aan uit de familie Soleidae (platvissen), namelijk Trinectens paulistanus. Dit op een schol lijkende visje bereikt een lengte van maximaal 12 cm en leeft voornamelijk op de zandige bodem. Maar ook meervalachtigen, die veel op Ancistrus leken, zalmachtigen zoals Brycon guatemalensis en Curimata magdalenae en een voor mij onbekende Gobius-achtige, die een mooie bruin geschakeerde tekening had met groenachtig gekleurde ogen. Buiten deze voor mij onbekende soorten bevond er zich ook een cichlide, namelijk Aequidens coeruleopunctatus. In een rustige zijarm van de Río Cuango troffen we deze soort aan tussen de met takken bedekte oevers. Deze soort is de eerste in Centraal-Amerika voorkomende vertegenwoordiger van het geslacht Aequidens, die ook in Zuid-Amerika te vinden is: het levende bewijs dat Panama een overgangszone vormt van Zuid- naar Centraal-Amerika.
Net achter het meer van Bayano begint het 'niemandsland', waar de natuur nog enigszins haar gang kan gaan en niet voor alles moet wijken. Jammer genoeg hebben de bezoeken aan deze omgeving ook laten zien, dat er hier al aardig aan houtkap van de eens zo statige regenwouden wordt gedaan. Vrachtwagens rijden grote hoeveelheden tropisch hardhout uit dit gebied weg. Gelukkig bestaat het overgrote deel van oostelijk Panama nog steeds uit tropisch regenwoud, maar hoelang dit nog het geval zal zijn, is maar de vraag. Meer naar het oosten naderen we de provincie Choco met het daarin gelegen Darien National Park. Maar nog voor Darien begint een aquaristisch gezien interessant gebied. Op ongeveer een halfuur rijden van de brug, die het meer van Bayano kruist, ligt de Río Parti. Deze langzaam stromende rivier, die in de droogteperiode (december tot en met februari) amper 50 centimeter water met zich meevoert, bleek een uiterst interessante visfauna te bezitten.
Verder waren er aanwijzingen voor een overgang naar een Zuid-Amerikaanse visfauna. We troffen hier namelijk in redelijk grote hoeveelheden Loricariiden aan, die tot verschillende geslachten behoorden. Een voor mij onbekende Ancistrine-soort, Crossoloricaria variegata, Hypostomus panamensis en Sturisoma panamense. We troffen hier ook Characidium spec. aan, die een maximale lengte van ca 4 cm had, maar er was nog een vertegenwoordiger uit het geslacht Characidium, die echter veel groter was. Deze bereikte lengtes van wel 10 of 11 cm en had een witachtige grondkleur met een donkere tekening. Buiten deze soorten troffen we nog een aantal cichliden, zoals de 'rode' variant van Neetroplus panamensis, waarvan verondersteld wordt dat deze in de kanaalzone voorkomt en niet in het stromingsgebied van de Río Chepo. Verder was Geophagus crassilabris hier zeer sterk vertegenwoordigd.
Ook Aequidens coeruleopunctatus kwam in de Río Parti voor. En weer in grote hoeveelheden. Qua kleur was deze standplaatsvariant niet spectaculair. Wat tijdens het snorkelen opviel, was dat er wel veel koppels met jongen waren. In de rustigere zones stonden kleine koppels met hun jongen. Als ik dichterbij kwam, zwommen de koppels inclusief hun jongen naar diepere gedeelten om zo de veiligheid van hun jongen te garanderen. Na nagenoeg een hele dag in de Río Parti te zijn verbleven, genoten we aan het einde van de middag nog van enkele blikken op deze rivier en de omgeving van serene rust alvorens naar Panama Stad terug te keren.
Río Cañaza __ Net over de heuvelrug van de Cordillera de Talamanca begint een fantastisch tropisch gebied, dat bij natuurwetenschappers wereldbekend is door de unieke flora en fauna. Doordat de wolken, die vanaf Caraïbische zee af komen, moeten stijgen om over de eerder genoemde bergketen te kunnen passeren, laten ze enorme hoeveelheden regen vallen. Als je vanaf de droge Golf van Chiriqui de bergen oprijdt en deze op zijn hoogste punt van ca 2004 meter passeert kom je in een groene wereld terecht. Hier groeien grote hoeveelheden Tillandsia's en orchideeën. Grote Heliconia's groeien in de berm, maar ook metershoge grassen sieren hier de kant van de nog in goede staat verkerende weg. We begeven ons in een andere wereld, waarbij we echter niet uit het oog verliezen, dat we hier zijn voor de vissen. Alleen in dit gedeelte van Panama komt een aantal recentelijk beschreven soorten voor, namelijk: 'Cichlasoma nanoluteum', Tomocichla spec. en de eveneens in Costa Rica voorkomende Amphilophus bussingi. Bij het eerste riviertje dat we tegenkomen, stoppen we om eens poolshoogte te nemen van wat hier allemaal wel niet zou zwemmen. Als eerste werden de waterwaarden gemeten, die de volgende data aangaven: pH 5,4, 600 µS/cm en een watertemperatuur van 25,5° C. Na het meten van de waterwaarden waagden we ons geluk in de Río Cañaza.
De Río Cañaza is een matig stromende rivier, op het diepste punt amper 1,30 meter. De bodem bestaat voornamelijk uit zand met daar doorheen kiezel en grind. De oevers op de plaats waar wij te water gingen, waren volledig begroeid met een hoge grassoort, van waaruit het gekwaak van pijlgifkikkers klonk. Eenmaal aan de watertemperatuur gewend geraakt, snorkelden we langzaam de Río Cañaza omhoog. Gelijk al zag ik enkele exemplaren van de nog niet beschreven Tomocichla--soort. In bliksemsnelle zwembewegingen zwommen ze tegen de stroming in en dus uit mijn gezichtsveld. In een gedeelte waar het minder snel stroomde, ontmoette ik de soort 'Cichlasoma nanoluteum'. Hier trof ik stroomopwaarts in de beschutting van het in het water liggende hout ook Parachromis loisellei aan. Slechts enkele kleine exemplaren kon ik constateren, die bij mijn benadering snel wegzwommen.
Later die dag kwamen we stroomafwaarts nog de in 1997 door Loiselle beschreven soort 'Cichlasoma bussingi' tegen. Het lukte ons bij toeval een halfwasexemplaar te vangen, dat wij na het gefotografeerd te hebben weer in de rivier loslieten. Later die middag ontdekten we een broedverzorgend vrouwtje, die wij een aantal jongen ontnamen om mee naar huis te nemen, daar deze soort nauwelijks in onze aquaria vertegenwoordigd was. Na deze dag in de Río Cañaza te hebben doorgebracht kwam er een einde aan mijn bezoek aan Panama.
Resumé __ Gezien de grote diversiteit aan zalmsoorten, Loricariiden en zelfs al cichliden, die voornamelijk in Zuid-Amerika voorkomen, kan gesteld worden dat Panama een overgangsgebied is van zowel de flora als fauna tussen Centraal- en Zuid-Amerika. Literatuur __ Collins, M (1990): The Last Rain Forests 102 - 106 Stawikowski, R & U. Werner (1985): Die Buntbarsche der Neuen Welt - Südamerika: 106 - 110, 198 - 199, 212 - 220 Stawikowski, R & U. Werner (1998): Die Buntbarsche Amerikas - Band 1: 190 - 195, 404 - 405, 429 - 430, 491 - 492 O'Bryan, L & H. Zaglitsch (1995): Panama, Natur und Kultur zwischen Atlantik und Pazifik |