|
Tekst en foto's: Frans Maas
Het visje is voor tweederde paars gekleurd en naar de staartvin toe voor eenderde geel. Beide kleuren zijn niet scherp gescheiden, waardoor hij duidelijk verschilt van Pseudochromis paccagnellae, die ongeveer hetzelfde kleurpatroon heeft. Met dien verstande, dat de beide kleurzones scherp begrensd zijn. Met de laatstgenoemde vis is hij overigens moeilijk samen te houden, omdat het gelijksoortige kleurpatroon aanleiding geeft tot verbeten vechtpartijen. De rugvin heeft vooraan een ronde zwarte vlek. De borstvinnen zijn relatief lange dunne paarsgekleurde vinnen, die schuin onder het lichaam hangen of tegen de buikpartij aangesloten worden gedragen. De staartvin is doorschijnend en de ogen zijn zwart gekleurd.
Hoewel er wel degelijk mannelijke en vrouwelijke dieren zijn, is duidelijk geslachtsverschil niet bekend. Onderzoek heeft aangetoond dat de Royal Gramma in ieder geval niet tot de zogenaamde protogyne geslachtswisselaars behoort, waarvan er in de wereldzeeën zo veel voorkomen. Dat zijn meestal in scholen levende vissen van het vrouwelijke geslacht, waarvan er naar behoefte op een bepaalde tijd één tot man transformeert. Lang heeft men dat wel aangenomen. Onderzoek aan de universiteit van Puerto Rico door Kazue Asoh en Douglas Shapiro heeft aangetoond, dat de eerdere aanname op verkeerd geïnterpreteerde waarnemingen bij onderzoek berust. Vooral dieren die we kort geleden hebben aangeschaft, moeten zich aanpassen aan aquariumomstandigheden. Omdat ze zich dan niet prettig voelen, krijgen ze nogal eens stip. Je moet dan wel snel en adequaat ingrijpen, wil je het dier kunnen redden. In de natuur is het een carnivore planktoneter. In het aquarium eet ze vrijwel al het geboden voer. Overdag is ze tussen de stenen steeds op zoek naar voedsel. Daarnaast wordt bijna alles als voedsel geaccepteerd als het maar beweegt. Het verdient dus aanbeveling het aan te bieden voer in een waterstroom te laten meevoeren. Voedsel opnemen van het oppervlak of van de bodem doen ze niet uit zichzelf. Eventueel aan te bieden droogvoer kan dus het beste eerst voorgeweekt worden, voordat men het in de stroming loslaat. Je hoort wel eens vertellen dat de vissen de neiging hebben uit het water te springen, maar dat wordt door anderen weer tegengesproken. Dat verschil in opvatting kom je onder zeewateraquaristen nogal eens tegen. Ik veronderstel, dat het terug te voeren valt op de inrichting van de aquaria, die van liefhebber tot liefhebber sterk verschillen kan. En ook de medebewoners zouden wel eens een rol kunnen spelen. Zij heeft namelijk een uitgesproken behoefte aan een eigen territorium, waarin andere, vooral kleinere vissen niet geduld worden. Zij schrikt er niet voor terug voor de favoriete rotsspleet tegenover veel grotere vissen eigendomsrechten te claimen, maar wanneer zij daarbij gewond raakt, druipt zij af en zoekt een nieuwe woning. De aanwezigheid van veel rotspartijen met spleten en holen is dan ook een vereiste in een aquarium, waarin men deze dieren met succes verzorgen wil. Wanneer deze ontbreken, is de kans groot dat zij op den duur aangetast raakt door Ichthyophthirius multifi (witte stip), waardoor ze dan het loodje legt.
Een hardnekkig misverstand is, dat men de diertjes solitair zou moeten houden. Bij keuringen heb ik meer dan eens gezien, hoe er in een ruim aquarium met voldoende holen en andere schuilplaatsen verscheidene dieren werden verzorgd. In de paartijd vond koppelvorming plaats en een enkele keer vond zelfs eiafzetting plaats. Daarbij worden vaak algen en wieren tussen o.a. Xenia's en Tubiopora musica in het territorium weggeplukt. Niet om ze te eten, maar instinctief. Deze spelen namelijk een rol in het paringsritueel en bij de nestbouw. In de paartijd laat het mannetje zijn agressiviteit ten opzichte van soortgenoten varen en bouwt met dergelijke plukjes wier en algen een soort nest in zijn favoriete spleet. Ondertussen nodigt hij de vrouwtjes, die in de buurt komen, uit er hun eieren in af te zetten, waarna hij ze bevrucht. Daarna keert de agressiviteit terug. De vrouwtjes worden weggejaagd en hij wijdt zich verwoed aan de bewaking van legsel, totdat de eieren uitkomen. Dat betekent in de meeste gevallen voor de aquariumliefhebber einde verhaal. De larven zijn namelijk phaleagisch. Dat wil zeggen, dat ze in bepaalde planktonlagen rondzweven, waar ze zich tot kleine visjes ontwikkelen. En dat behoort in de meeste aquaria niet tot de mogelijkheden. Verheugend is dat het dier in de VS, in Israël en ook in ons eigen land op commerciële basis wordt gereproduceerd. Mogelijk geworden door kennis, die men voor een groot deel dankzij de aquaristiek heeft weten te vergaren. Literatuur (1) Schneidewind, F.: Neue Gramma-Art aus Brasilien beschrieben, Aquaristik Fachmagasin Aug./Sept. 2001 (2) Wirtz, P.: Der feenbarsch ist kein protogyner Gelechtswechsler, Datz 9/1997, blz. 610 (zie ook Het Aquarium 1998, no 5, blz. 148). |