|
Tekst en illustraties: P.J.A. Timmermans (NICI/Biologische Psychologie) Ons onderzoek __ Wij onderzochten Lülings aanname, "dat de schuttervis doel treft door loodrecht te schieten" door van een groot aantal schoten van enkele tientallen vissen (Toxotes chatareus) de hoeken te bepalen. Deze vissen bleken een heel groot bereik van hoeken te gebruiken, van 58° -102°, maar hun gemiddelde voorkeurshoek was niet 90°, maar 74°, dus ongeveer de hoek, die Lüling en Herald afbeeldden voor Toxotes jaculatrix (Timmermans, 2001). Bovendien vonden wij, dat de trefkans van schoten van 90° niet groter was dan van schoten onder andere hoeken. Dill vermeldt (in 1977) ook al, dat T. chatareus treft onder andere hoeken dan 90°, maar vermeldt niet welke hoeken.
Dat is opvallend, omdat ze veel langer doorgaan met vruchteloos schieten als de prooi niet valt, omdat die is vastgezet. Omdat de vissen die met het venster op 50° niet schoten, maar wel nog richtbewegingen maakten, lijkt het, "dat de schuttervis pas schiet als hij 'vindt', dat hij goed gericht is". Hij werkt kennelijk niet volgens het principe 'nooit geschoten altijd mis'. Er lijkt iets te zijn, waardoor de vis exact 'weet' of hij goed gericht is. Vergelijk de schuttervis met een geweerschutter, die weet dat schieten alleen zin heeft als hij vizier, korrel en doel op één lijn ziet en daar strikt naar handelt. Gericht zijn en schieten lijken ook in de hersenen van de schuttervis op een strikte manier met elkaar verbonden, zonder dat hij vizier en korrel heeft, maar hoe dan wel? Welke prikkel geeft tijdens het richten het commando 'water'? We weten overigens ook niet hoe Barny weet, dat zijn dartpijltje goed gericht is en losgelaten moet worden? Lüling (1963) oppert, dat de vissen bijrichten naar aanleiding van missers. Vliegt de waterstraal bijvoorbeeld tweemaal links onder het doel door, dan zou de vis het volgende schot rechtsboven het doel richten. De vissen zouden zich dus gedragen als mensen, die ontdekken dat hun geweer een afwijking heeft. Maar Luüing bewijst zijn theorie niet. Wij hebben Lülings theorie proberen te toetsen door gedurende een aantal maanden per vis te noteren of zijn schoten: 1. Op doelhoogte waren 2. Over het doel heen gingen 3. Onder het doel door gingen (Timmermans & Vossen, 2000). Er waren ongeveer evenveel vissen in elke van de drie categorieën. Goed, te hoog en te laag schieten leken vaste eigenschappen van individuen te zijn. Als de vissen zouden bijrichten op grond van missers, zou je verwachten, dat te hoog en te laag schieten afneemt. Het lijkt erop, dat de vissen wat dit betreft niet leren van hun fouten. Dat wil niet zeggen, dat jonge schuttervissen, die net beginnen met schieten, niets leren over richten. Om dat te onderzoeken moeten we schuttervissen kunnen kweken. Tijdens dit experiment zagen we ook een aantal vissen, dat na verloop van tijd almaar vaker en hoger over het doel heen schoot. We hadden al eens eerder zulke 'overschieters' gezien en ook Elshoud en Koomen vermeldden er ë¨n. Bij nader onderzoek bleek, dat deze vissen almaar hoger schieten, omdat hun onderkaak voorbij hun bovenkaak groeit. Ook deze vissen leerden niet van hun missers. Mensen zouden hun richtgedrag aanpassen als de loop van hun buks langzaam krom zou trekken. Schuttervissen lijken te schieten, zoals ze gebekt zijn.
Laten we, in een poging de vraag te beantwoorden hoe de vis richt, er eens vanuit gaan, dat de vis schiet, zoals hij gebekt is. Tijdens het onderzoek naar de hoeken, waaronder de schuttervis schiet, was ons al opgevallen, dat als de afstand tot het doel groot is, de vissen onder kleine hoeken schieten en vlak in het water liggen, terwijl als het doel dichtbij is, de vissen onder grote hoeken schieten en steil in het water staan. De vissen lijken dus met hun hele lijf te richten. Dill merkt ook op, dat de vis zijn lijf richt, maar stemt ook in met Lüling "dat hij vervolgens met lippen of tong de precieze richting van het schot zou de kaken zijn bezet met tandjes. De tong is van been en bindweefsel en reikt niet tot voor in de snuit, waar ze de richting van het schot zou kunnen bepalen. Omdat bij een compact gebouwde vis, zoals de schutter, de kop nauwelijks omhoog of omlaag kan worden bewogen en de bek een vaste stand in de kop heeft, lijkt er geen andere mogelijkheid te zijn dan richten met het lijf. Om dat vermoeden te toetsen hebben we met behulp van het eerder vermelde venster een groot aantal schoten van een groot aantal afstanden op video opgenomen en geanalyseerd. Het bleek, dat zowel de hoek tussen de lengteas van de vis en het wateroppervlak (de lichaamshoek) als de hoek tussen de waterstraal en het oppervlak (de schiethoek) groter wordt al naar gelang de vis dichter bij het doel staat. Dit is het gevolg van de constantie van de mondhoek. Dat is de hoek tussen de lengteas van de vis en de lijn door de uitgestoten waterstraal. Er waren verschillen in de mondhoek tussen de vissen (van 146° tot 163°), maar de schoten van dezelfde vis varieerden maar 6-8 graden van mondhoek, en niet 14°, zoals Dill meldt, of zelfs 30°, zoals Lüling schrijft. De schuttervis richt kennelijk met zijn lijf (Timmermans & Souren).
1. Of de stand van de bek en de stand van de ogen zo op elkaar zijn afgestemd, "dat als de vis naar het virtuele beeld kijkt, zijn bek vanzelf op het doel gericht is". 2. De jonge vis leert richten als hij met schieten begint. Om die hypothese te toetsen moeten we schutters kunnen kweken. Er is nog een vraag over schuttervissen, die beantwoord zou kunnen worden met gekweekte jongen. Jonge vissen (tot drie cm) hebben een reflecterende, geelgroene vlek op de rug achter de kop. Dezelfde kleur is vaak in de ogen te zien en sommige exemplaren behouden daar die kleur. Ladiges oppert (in 1950), dat die vlek insecten zou kunnen lokken, die vervolgens aan de visjes ten prooi vallen. Lüling suggereert (in 1956), dat die vlek dient om elkaar te herkennen en zodoende in een school bijeen te blijven. Ik ben van mening, dat die insecten van Ladiges wel eens glimwormpjes zouden kunnen zijn, want in mangrovemoerassen komen soorten voor (Lampyridae), waarvan de vrouwtjes geelgroen lichten. Mannetjes die door de geelgroene vlek van de visjes zijn aangelokt, komen binnen schootsafstand en vormen een opvallend doel voor de beginnende schuttervisjes (Timmermans & Maris, 2000). Ook een onderzoek naar het hoe en waarom van dat typische jeugdkleed zou door het kweken van schuttervissen aanzienlijk vergemakkelijkt worden. Het merkwaardige prooivanggedrag van de schuttervis: deel 1/2 Aan dit onderzoek werkten mee __ M.Th.M. Janssen en J.C.M. Krijnen (dierverzorging); medewerkers van de Instrumentmakerij en van de afdeling Elektronica (apparatuur); P. Cloosterman (filmopnamen); A.J.D.M. van Eil, G.J.M. van der Donk van Andel en C.W.J.M. van Eekelen (dataverzameling en verwerking); A.J.H. Willems (statistiek). P.J.A. Timmermans, NICI/Biologische Psychologie Universiteit van Nijmegen, postbus 9104, 6500 HE Nijmegen, e-mail p_timmermans@nici.kun.nl Literatuur __ Allen, G.R., 1978. A review of the archerfishes (family Toxotidae). Records of the Western Australien Museum 6:355-378. Elshoud, G. C. A., Koomen P., 1985. A biomechanical analysis of spitting in archerfishes (Pisces, Perciformes, Toxidae). Zoomorphology 105: 240-252. Lüling, K. H., 1963. The archerfish. Scientific American 209: 100-129. Schlosser, J. A.,1766. Some further intelligence relating to the jaculator fisch, mentioned in the Philosophical Transaction for 1764, Art. XIV from Mr. Hommel, at Batavia, together with the description of another species, by Dr. Pallas, F.R.S. in a letter to Mr. Peter Collinson, F.R.S. Philosophical Transactions 56: 186188. Timmermans, P.J.A., 2000. Prey catching in the archer fish: Marksmanship and endurance of squirting at an aerial target. Netherlands Journal of Zoology 50: 411-423. Timmermans, P.J.A., 2001. Prey catching in the archer fish: angles and probability of hitting an aerial target. Behavioural Processes 55; 93-105. Timmermans, P.J.A., Maris, E., 2000. Does the bright spot on the back of young archer fishes serve group coherence? Netherlands Journal of Zoology 50: 401-409. Timmermans, P.J.A., Vossen, J.H.M., 2000. Prey catching in the archer fish: does the fish use a learned correction for refraction? Behavioural Processes 52; 21-34. Timmermans, P.J.A., Souren, P.M., Prey catching in the archerfish; the role of postural constants and variables in aiming at an aerial target. Submitted. Vierke, J., 1971. Spuckende Fische. Nicht nur der Schützenfisch schiesst mit dem Wasserstrahl. Aquarien Magazin 5: 67-69. Zolotnitsky, N., 1902. Le poisson archer (Toxotes jaculator) en aquarium. Archive de Zoologie Expérimentale et Générale 10: 74-84. |