Waterschorpioenen
Tekst: J.C. Brokke, foto's: Leen van Doorn
De waterwantsen worden onderverdeeld in ruwweg 2 grote groepen, die elk weer uit een aantal
families bestaan. Zo kennen we de groep oppervlaktewantsen met de families schaatsenrijders,
Gerridae; de vijverlopers, Hydrometridae; de beeklopers, Velliidae; en enkele soorten van
Mesoveliidae en Hebridae. Dit is de groep, waarvan de dieren op het water lopen.
| |
 |
|
Een van de langste insecten, die onder water leven: de staafwants, Ranatra linearis |
Dan de tweede grote groep, dat zijn wantsen die in het water voorkomen, waaronder onder andere
de waterschorpioenen, Nepidae. Van deze familie komen 2 soorten in ons land voor. Dat zijn de
waterschorpioen Nepa cinerae, en de staafwants Ranatra linearis. Deze laatste is
wel de bekendste en de grootste van de twee. De lengte van dit dier kan 3 tot 4 cm lang zijn en dan
rekenen we de adembuis niet mee, want deze haalt zeker ook nog eens 3 cm, dus de totale lengte
kan wel 7 cm zijn. Daarentegen is de waterschorpioen met een lichaamslengte van ruim 2 cm en een
adembuis van ongeveer ook 2 cm beduidend korter. Wel is de waterschorpioen een stuk breder dan
de staafwants. Met deze opvallende kenmerken zijn beide soorten dus makkelijk uit elkaar te
houden. Ze komen beide in Nederland voor in eutroof (voedselrijk) water, waar ze dicht onder de
oever leven. Ze hebben een hekel aan een snelle stroming en ze zijn dan ook meestal te vinden in
stilstaand of zeer langzaam stromend water. De waterschorpioen blijft meestal heel dicht bij de
oever, maar de staafwants kan ook wat verder in het water voorkomen, maar steeds binnen de
plantengroei. De dieren hebben een adembuis, dat wil zeggen, dat ze meestal zo zitten, dat hun
adembuis net iets boven het water uitkomt. Pas op, want de staafwants heet niet voor niets
'schorpioen'. Dit dier kan pijnlijk steken.
| |
 |
|
De wat kleinere, maar forsere waterschorpioen, Nepa cinerea |
Zoals we al meer gezien hebben bij veel waterinsecten,
kunnen ook deze dieren vliegen (bij de waterschorpioen is dit nog niet zeker), dus ook in vijvers
kunt je ze wel eens tegenkomen. Althans wanneer er een soort plantengordel is, waar ze zich in
kunnen verstoppen en er geen fontein staat te sproeien. De prooi van deze rovertjes bestaat uit
allerlei waterinsecten, die we in het water tegen kunnen komen. De voorpoten, die omgevormd zijn
 |
|
|
De onderkant van de waterschorpioen, Nepa cinerea |
tot vangklauwen, zitten als een soort half uitgeklapt zakmes naar voren. Komt er nu een prooi, dan
klapt het mes als het ware dicht en is de prooi gevangen. Die wordt dan naar de kop verplaatst en
leeggezogen.
Na de paring, die in het voorjaar gebeurt, komen er vrij grote eieren, die door het wijfje in stengels
of bladeren van een plant gelegd worden. De wants boort een gat in een stengel of blad en legt daar
dan een snoertje van ongeveer 23 eieren in. Aan de ovale eitjes zitten 2 draden en deze steken uit de
plant naar buiten. Deze draadjes zorgen voor de zuurstoftoevoer naar het eitje. Na 14 dagen is het
dan zover dat de eieren uitkomen. Dat gebeurt in mei/juni. Na een 5-tal vervellingen zijn het tegen
september volledige dieren, waarbij bij de laatste vervelling de adembuis zijn totale lengte krijgt.
De overwintering gebeurt als imago. |