Belgische aquariumevolutie vanaf 1942 tot 2005
Een verstokte aquariumliefhebber vertelt...

Tekst: Tannia Sels (bron: voordracht Jaak Koopmans)

Zo begon het __ In 1869 werden in Europa voor het eerst Macropoden ingevoerd. Een Franse consul in een Oost-Chinese stad had namelijk een honderdtal Macropoden meegegeven aan een marineofficier op een Frans oorlogsschip met de opdracht ze in Parijs af te leveren. Toen hij echter op de bestemmingsplaats aankwam, waren er nog 22 in leven. Van die overlevende vissen gingen er zeventien naar een zekere heer Carbonier, die ze onmiddellijk rode muggenlarven voerde. Deze Macropoden bleven leven en hebben zich zeer goed over Europa verspreid.

 
De aquariumliefhebberij was toen een hobby voor de bevoorrechte klasse. Want aan het einde van de vorige eeuw betaalde men in Duitsland dertig mark voor een koppel Macropoden. Natuurlijk was een mark toen meer waard dan de huidige € 0,50. Vissen houden was dus niet voor de gewone burger weggelegd. Ruim een halve eeuw later in 1942 was de aanschaf van vissen nog problematisch. Er bestond toen reeds een vereniging waar een zekere vorm van samen aankopen mogelijk was. Eenmaal in de zoveel maanden werd er in een garage vergaderd en de vissen zaten in emaille teilen, die op de grond stonden. Daaruit kon je dan een keuze maken. Er was geen aquariumhandel in Leuven, wel in Antwerpen. Omdat ze niet - zoals nu stelselmatig - werden geïmporteerd, werden de vissen hoofdzakelijk geïmporteerd door geïnteresseerde scheepsbemanningen. Logisch, dat Antwerpen dus goed gesitueerd was. Natuurlijk werden er ook vissen 'op bestelling' meegebracht. En via die omweg kwamen ze ten slotte in de winkel terecht. In Leuven werd er flink gekweekt, maar de middelen waren tamelijk primitief.

Het aquarium
De verwarming __ "Mijn eerste aquarium - ik startte ermee in 1942 - had geen verwarming zoals we die nu kennen. Ik drapeerde 's avonds een rode deken zoals we vroeger allemaal rode dekens hadden over het aquarium. Omdat er toen nog geen centrale verwarming was en de kachel 's avonds uitging, moest het aquarium toch op een of andere manier voor afkoeling worden behoed. Dus moest je toch wel actief ingrijpen om de temperatuur in het water een beetje te behouden. Een eenvoudiger systeem was een lege jeneverfles, die regelmatig met kokend water werd gevuld en in het aquarium gezet. Later kwam heel ingenieus gevonden de pekelverwarming. Deze verwarming moest je natuurlijk zelf maken. Daartoe plooide je een glazen buis in een u-vorm en uit een platte batterij werden de twee pooltjes genomen. De glazen u werd met water en een wel bepaalde hoeveelheid zout of aluin gevuld, de polen erin aangebracht en het geheel werd met een stop afgesloten. Daarna werd heel het geval met de elektriciteit verbonden en het werkte. Er was slechts één gevaar: wie ging prutsen, kon wel eens de hele straat zonder verlichting zetten. Natuurlijk was er ook de petroleumverwarming. Je liet gewoon een potje petroleum onder het aquarium branden. Natuurlijk moest je dan wel een aquarium met een ijzeren bodem hebben en als het even kon nog versterkt op de plaatsen waar de vlam kwam. Want anders zat je na een paar maanden tijd door de bodem heen. Met benzine verwarmen volgens hetzelfde systeem kon ook. En de beter gesitueerden verwarmden het aquarium met gasbunsenbranders. Petroleum ging wel uitstekend, maar stonk geweldig. Als de voordeur openging, wist je al dadelijk dat daar een aquariumliefhebber woonde. Men voegde aan de petroleum mottenballen toe om de reuk min of meer tegen te gaan, maar dat lukte toch niet echt." De eerste echte verwarming, zoals wij ze nu kennen, zag de heer Koopmans pas rond 1945. Dat was pas een serieuze vooruitgang!

De bak __ De aquaria waren niet gelijmd zoals nu; het waren frameaquaria. Het waren aquaria met een kader in hout, waarin ruiten werden gezet. Maar het frame kon ook uit cement gemaakt zijn. In dat geval kreeg men de ruiten er nooit meer uit. Pech dus als er een ruit brak, want dan kon je de bak gewoon dadelijk op het stort gooien.

De luchtpomp __ Mensen met tamelijk veel geld hadden een soort luchtpomp, namelijk een waterpomp. Die bestond uit een heel mooie, koperen constructie met twee zuigers, die je moest aansluiten op de waterkraan. De druk van de waterleiding was vereist. Dat impliceerde meteen dat je de kraan steeds een beetje open moest draaien, zodat het water permanent liep. Doordat het een kleine straal was, kreeg je lucht mee en dat deed de twee cilinders op en neer gaan. Zo ontstond er een prachtige bellenstroom. Het was natuurlijk wel duur.
Mijnheer Koopmans' eerste luchtpomp was een opgepompte binnenband van een fiets, die hij heel langzaam in zijn aquarium liet leeglopen. Een autoband was natuurlijk veel interessanter geweest, maar autobanden waren in de jaren veertig niet zomaar verkrijgbaar. Zijn volgende systeem werd hem door zijn vader aan de hand gedaan. Het bestond uit een ovomaltinedoos, waar op het deksel een ventiel was gesoldeerd. Die doos werd volgepompt met lucht. Dat was meteen esthetischer dan dat je een binnenband onder of naast je aquarium had liggen. Maar na een tijdje gingen het deksel en de bodem bol staan. Korte tijd later in 1945 kwamen de gewone membraampompjes. Die maakten een hels lawaai, maar het 'bolledoosprobleem' behoorde wel tot het verleden.

De vissen
De aankoop __ Om vissen aan te schaffen kon men in de club terecht en bij liefhebbers, die kweekten met gupjes, plaatjes, zwaarddragers, lichtvisjes en vele andere soorten. De prijzen van de aquariumvissen voor clubleden waren vrij hoog. Voor een Brachydanio rerio (zebrabarbeel) telde men € 0,25. Voor die € 0,25 kon je toen twee zakjes frieten met mayonaise kopen.

Het voedsel __ Van planten - gebruikt om te kweken - bestonden toen bronmos, Elodea (waterpest) en aquavaren. Aquavaren is nu verdwenen. Het was een kunstplant, waarin vissen gretig afzetten. Als je dan jonge vissen had, kregen ze infusie als voedsel gedurende één tot twee weken. Vanzelfsprekend groeiden die vissen traag of stierven. Maar mevrouw Stijnen, die in Antwerpen een aquariumwinkel had, kende het geheim. Bij haar zaten de Sumatranen (Puntius tetrazona) in barnsteenkleurig water, de bodem was bedekt met drie tot vier centimeter turfmolm, waarin de vissen heel graag stoeien en afzetten. Bovendien gaf ze geen infusie aan het jongbroed, maar Artemia. Vanaf dat ogenblik waren de problemen om jongen groot te brengen grotendeels opgelost. Ze stierven immers niet meer van de honger! Destijds was het kweken van maanvissen (Pterophyllum scalare) ook een ongelooflijk probleem. In 1945 kostte één exemplaar € 1,50. Om een idee van de verhoudingen te geven: een gemiddelde bediende had toen € 35 maandloon. Iemand van de club was het beu om die eieren steeds weer opnieuw te zien opeten. Hij haalde ze uit het aquarium en bracht ze over in een aluminium kookpot met wat methyleenblauw. Zijn ingreep werd beloond. Zo werd bepaald, dat je scalares moest kweken in een aluminium kookpot met een deksel. Want door een deksel erop te zetten, kwamen de eieren in het donker te liggen. En precies die duisternis was het uiteindelijke geheim!
Zo is langzamerhand alles vooruitgegaan, zodat we nu op een vrij goede wijze kunnen kweken. De courante soorten waarmee in de jaren veertig werd gekweekt waren Pristella en Moenkhausia pittieri (diamantzalm). Andere zalmsoorten, zoals neons en vuurneons, stelden de kweker voor problemen. De heer Koopmans heeft lange tijd geprobeerd om vuurneons (Hemigrammus erythrozonus) te kweken. Steeds uitgaande van de gedachte, dat deze visjes een kweektemperatuur van 26-27 °C nodig hadden. Nooit gebeurde er wat. Die vissen lagen daar maar, tot op een keer de thermostaat uitviel. Bij de gedaalde temperatuurb - 22 °C - voelden ze zich opperbest en paarden vrolijk, wat duidelijk maakte, dat de kweektemperatuur steeds veel te hoog was ingeschat. Hetzelfde gebeurde met Barbus schuberti. Die deed het eveneens op 22 °C. Natuurlijk moest je dat soort dingen ondervinden.
Wat je verder voor de zalmenkweek nodig had, was aangepast water. Het Leuvense drinkwater was verre van ideaal. Regenwater kon je af en toe gebruiken als het langdurig had geregend. En dat gebeurde in België niet altijd. Dus werd het water onthard over permutiet, wat het een te hoge pH bezorgde. Om zalmen te kweken, heb je echter zacht, zuur water nodig. Dus werd het water weer aangezuurd door over turf te filteren. Een confituurpotje werd vol turf gedaan en in het midden werd een glazen buisje aangebracht. Dan werd er kokend water opgegoten en alles moest een minuutje trekken (zoals thee). Daarna kon de bak worden doorgefilterd. Permutietwater was echter niet sterk genoeg en daarom werd er looizuur aan toegevoegd: één mespunt per twintig liter. Die proef werkte, want de vissen die erin ondergebracht werden, hadden 's anderendaags gegarandeerd geen huid meer. Dat spul was immers veel te geconcentreerd.
Er was ook een gezegde, dat je de kweekbak zeer goed moest ontsmetten. Dat heeft de heer Koopmans slechts eenmaal geprobeerd met bleekwater. Het koppel purperkoppen (Barbus nigrofasciatus), dat daarin hun liefdespijlen naar elkaar moest afschieten, kreeg niet eens een kans, want ze stierven. Zo leerde hij dat ontsmetten niets meer dan flink onder de kraan uitspoelen betekent.

Conclusie __
Het past ook even naar de evolutie tijdens de laatste halve eeuw te kijken. Op technisch gebied kenden we een geweldige vooruitgang. Dat is niet verwonderlijk, omdat we dat in elk facet van ons dagelijks leven hebben meegemaakt. Dat is geen kunst. Op het gebied van vissen houden - hij is misschien erg conservatief - vindt de heer Koopmans, dat we er niet veel van hebben gemaakt. De kennis is volgens hem niet vergroot. We zitten nog steeds te knoeien om bepaalde dingen te kunnen doen, om planten goed te kunnen houden. En die algen... Vijftig jaar geleden zaten we ook al met een algenprobleem. Diegene, die een probaat middel tegen algen vindt, wordt gegarandeerd schatrijk.
Een echt positief punt ziet hij wel in de evolutie van de prijzen van de aquariumvissen. Die zijn naar zijn bescheiden mening gedaald door de amateurkweker. Dat is ten slotte het interessantste punt van onze hobby. Die mensen zijn erin geslaagd om de prijzen aanzienlijk te laten dalen. Op dit ogenblik kost een pakje frieten zonder mayonaise € 1,50. Daarvoor heb je nu al vier Brachydanio rerio. Jaak Koopmans vindt het zeer positief, dat al die dingen binnen het bereik gekomen zijn van iedereen. Want dat is toch de bedoeling van aquariumverenigingen, nietwaar?