|
Klein, maar dapper Tekst Max Hopman - foto's Jos Hoedeman 'Op cichliden raak je nooit uitgekeken.' Deze krasse uitspraak is niet alleen gebaseerd op de meer dan 20-jarige eigen ervaring met het houden van cichliden, maar ook op de reacties die je onder andere als steunpunt speciaalgroep cichliden binnen Xiphophorus, Oss krijgt.
Graag wil ik de belangstelling wekken voor het houden van cichliden in het algemeen en de wat kleinere Tanganjikacichliden in het bijzonder. Het is absoluut niet zo, dat ik er bijvoorbeeld wat op tegen zou hebben, dat Cyphotilapia frontosa in een passend aquarium worden gehouden, maar niet iedereen heeft zoveel ruimte te bieden, dat deze prachtige vissen volledig tot hun recht komen. Mijn belangstelling voor kleine cichliden werd als 6-jarige al getrokken. Voorkeur Tanganjika Het interessante gedrag van de grote familie baarsachtige vissen, cichliden genaamd, is de belangrijkste reden, dat ook ik zó geboeid ben geraakt, dat het besluit om een cichlidenaquarium te gaan houden, alleen een kwestie van tijd is geweest. Het was overigens puur toeval dat ik bij mijn werkgever, een bekend farmaceutisch bedrijf in Oss, hoorde dat een collega een bak met een koppel keizerbaarzen, Aulonocara nyassae, kwijt wilde. Het tijdstip was goed gekozen. Ik had mijn zolder juist opgeruimd; er kon dus snel gehandeld worden. Het bleef natuurlijk niet bij die gekregen zolderbak! Dat er onder de diverse soorten cichliden een bijna oneindige variatie in kleurenpracht, lichaamstekening en lichaamsbouw bestaat, verklaart mijns inziens dat deze (hoofdzakelijk) zoetwaterbewoners een grote schare liefhebbers, ook wel cichlidioten genaamd, kent. Voor een beschrijving van mijn uiteindelijke keuze, een Tanganjika-aquarium, mag ik nog verwijzen naar Vivarium in beeld, waarin Henk Koolwaaij beknopt de bevolking, het toegepaste decoratiemateriaal en de beplanting, verlichting, techniek enz. beschrijft. Menselijke trekjes Voor mij is het karakteristieke gedrag van Tanganjikacichliden al tientallen jaren een boeiend schouwspel. Eigenlijk kun je stellen, dat cichliden welhaast menselijke trekjes vertonen. Of is het net andersom, dat mensen..? Gaan wij opgedoft uit, ook de cichlidenman trekt om een vrouwtje te imponeren voor de balts, voorafgaand aan een eventuele paring, zijn mooiste kleurendracht aan. Plaatsen wij mensen niet snel een tuinafscheiding bij ons nieuwe huis, de cichlide zal zijn aquariumdeel, vaak begrensd door een plant of steen, met hand en tand verdedigen tegen indringers, zeker als er jongbroed is. Maken wij indruk door het spreiden van armen en soms ook benen, de cichlide zet alle vinnen overeind om groter te lijken dan hij is enz.
Muilbroeders De manier van voortplanting bij deze interessante vissen is zeer gevarieerd, sommige soorten zetten hun eitjes af in rotsspleten (bijvoorbeeld Neolamprologus leleupi), andere soorten gebruiken lege schelpen als broedplaats, de zogenaamde schelpbewoners; nog weer andere soorten broeden de eitjes uit in hun bek, de muilbroeders. Het is erg aandoenlijk te zien hoe een vissenmoeder dertig dagen niet durft te happen naar grof voer, maar wel door een heel dun spleetje tussen de lippen fijn voedsel in de bek zuigt, dat precies groot genoeg is voor de in haar bek verblijvende jongen. De bek vervormt in die periode en vaak is er sprake van een keelzak, soms met een dunne huid, waar de vorm van de jongen zwak doorheen schijnt. Zijn de jongen wat groter, dan mogen ze op verkenning buiten de bek om bij het minste onraad weer snel in die bek te vluchten. Er zijn ook soorten, die zover zijn 'geëmancipeerd', dat het mannetje op de helft van de draagtijd, na circa twee weken, de broedzorg overneemt van het vrouwtje (bijvoorbeeld Eretmodus-soorten). Dat vermagerde vrouwtje kan dan weer normaal eten, terwijl het mannetje door zijn ouderlijke bijdrage afslankt. Al deze vormen van communicatie, zorg en voortplanting, kun je waarnemen als je de aan jou toevertrouwde dieren goede leefomstandigheden biedt en voor goed en gevarieerd voedsel zorgt. Schelpbewoners Een bijzondere plaats in mijn aquaristenhart hebben toch de zogenaamde
Waterkwaliteit Wat de waterkwaliteit betreft, zijn de schelpenbewoners niet erg kieskeurig. Om echter volop van deze juweeltjes te kunnen genieten moeten we toch zorgen, dat de waterwaarden, de hardheid, de geleidbaarheid en de pH (zuurgraad of in dit geval beter de alkaliteit van het water), die van het Tanganjikameer benaderen. Het Osse kraanwater is redelijk hard te noemen met 15 °DH en een geleidbaarheid van circa 600 µS is het direct geschikt voor een Tanganjikabak. Met de pH ligt dat wat anders. Uit onze Osse kraan stroomt water met waarden tussen pH 7.2 en 7.6, maar na het wekelijkse water verversen werden op 700 liter water twee eetlepels kristalsoda opgelost in een emmer lauw water en langzaam aan het aquarium toegevoegd, wat een pH 8 of iets hoger opleverde. Met de sodatoevoeging ben ik gestopt, toen mijn hoornblad zich gedroeg als een oude kerstboom, zo een die bij aanraking alle naalden laat vallen. Het
Maar nu weer terug naar mijn visjes. Wat eten betreft zijn ze ook niet kieskeurig, ze eten met de pot mee. Omdat ik ook een fraaie groep Tropheus moorii, de rode staartstreep, chipimbi-variant, heb rondzwemmen, krijgen de vissen nooit muggenlarven van mij. Dat is vragen om darmproblemen bij T. moorii. In het verleden voerde ik net zoals diverse andere cichlidenliefhebbers binnen onze vereniging een keer per week met een diepvriesvoermengsel, dat à la haute cuisine werd samengesteld door onze aquariumvriend, Malawiliefhebber en clubgenoot, wijlen Frans Janssen. Helaas zijn mij de juiste verhoudingen niet bekend, maar als ingredië'nten gebruikte hij zeker een vermalen mengsel van kabeljauwfilet, garnalen zonder toevoeging, groene paprika en een vitamine-A+D-oplossing. Wat mijn vissen nu wel krijgen, zijn diepvriestabletten watervlooien of cyclops of een mossel-garnaal-erwtenmengsel en verschillende soorten droogvoer, ook spirulina bevattend, voldoende keus om binnen de dagen van een week nooit hetzelfde te voeren. Tot slot Schrijven over de inrichting laat ik achterwege om zo niet in herhaling te vallen met het eerder gelinkte artikel. Wat ik wel natuurlijker vind, is dat de als hoopjes gedrapeerde slakkenhuizen niet alleen in een vrije bodemruimte, maar ook tegen een steenformatie mogen liggen. Lege slakkenhuizen zijn immers aan de stroming overgeleverd tot ze een obstakel raken en zich daar nestelen met de hulp van zand, algen en kalkafzetting. Misschien ten overvloede vermeld, maar deze kleinoden combineren met vis etende, grotere vissen, zoals bijvoorbeeld C. frontosa lijkt mij niet verstandig. De Tanganjikacichliden bieden qua lichaamsbouw, kleur en tekening voldoende variatie om een boeiende populatie samen te stellen zonder de natuur geweld aan te doen. Let bij een eventuele aankoop van de visjes, die vaak geen uiterlijke verschillen vertonen, bij even oude dieren op wat verschil in lichaamsgrootte. Dat vergroot de kans op het meenemen van mannetjes en vrouwtjes aanzienlijk. Daarnaast is het aan te bevelen een groep van minimaal negen dieren aan te schaffen als de ruimte daartoe toereikend is. Veel plezier met het maken van plannen en nog meer met het houden van de kleine dapperen. |