|
Een interessante en fraaie vis uit het genus Poeciliopsis REGAN, 1913 Tekst en foto's: Kees de Jong Poeciliopsis turneri MILLER, 1975 Tot het genus Poeciliopsis behoren slank gebouwde levendbarende tandkarpers, waarvan de mannetjes een lang en dun gonopodium hebben. Het genus heeft een groot verspreidingsgebied. Vanaf het zuidwesten van de Verenigde Staten tot aan de noordwestelijke punt van Zuid-Amerika kunnen soorten uit dit genus worden aangetroffen. De vissen worden voornamelijk aan de Pacifische kust gevonden. In dit gebied bewoont deze groep vissen allerlei verschillende soorten water. Ze worden in stromend en stilstaand zoet water aangetroffen, maar enkele soorten komen in brak water voor [bijvoorbeeld Poeciliopsis turrubarensis (MEEK, 1912)].
Voor de overige soorten geldt, dat ze slechts af en toe worden gehouden en dat ze na een korte periode weer uit de hobby verdwijnen. In sommige gevallen ligt dit aan het feit, dat de soort moeilijk is te houden (bijvoorbeeld Poeciliopsis paucimaculata BUSSING, 1967), terwijl het ook voorkomt, dat er te weinig liefhebbers voor een soort blijken te zijn. Iets, wat bijvoorbeeld voor Poeciliopsis hnilickai MEYER & VOGEL, 1981 geldt.
Voor het vangen van de vissen werd een sleepnet van 3 meter lengte gebruikt. John Lyons maakte gebruik van zijn speciale apparatuur, waarmee door middel van een stroomstoot de vissen worden gevangen. Door elektriciteit uit een accu, die hij op zijn rug had, werden de vissen verdoofd en konden vervolgens uit het water worden geschept. Deze manier van vangen heeft geen nadelige gevolgen voor de vis en vooral voor soorten die zich tussen de stenen verschuilen, is het een goede methode. Zelf geef ik echter de voorkeur aan het ouderwetse handwerk en vol ijver ging ik met het sleepnet aan de slag. Al snel vingen we een groot aantal vissen, die door de slanke lichaamsbouw en het lange gonopodium van de mannetjes te herkennen waren als vissen uit het genus Poeciliopsis. De eerste indruk was, dat dit de gezochte Poeciliopsis turneri waren. Een nadere bestudering maakte duidelijk, dat het om twee soorten ging. De meeste exemplaren waren Poeciliopsis baenschi MEYER, RADDA, RIEHL & FEICHTINGER, 1985 en slechts een enkel exemplaar was P. turneri. Beide soorten hebben een slanke lichaamsbouw en 6 tot 10 zwarte vlekken in de lengte op het lichaam. De grondkleur van P. turneri is echter meer zilverkleurig, terwijl die van P. baenschi meer gelig is. Verder heeft P. turneri een veel duidelijkere, zwarte vlek tegen de staartwortel aan. De vrouwtjes van P. turneri zijn over het algemeen slanker gebouwd dan die van P. baenschi. Laatstgenoemde soort was duidelijk in de meerderheid en het duurde dan ook geruime tijd, voordat we een redelijk aantal van P. turneri hadden. Naast deze twee Poeciliopsis-soorten vingen we op deze plek ook nog Poecilia chica MILLER, 1975, Ilyodon furcidens (JORDAN & GILBERT, 1882), Xenotaenia resolanae, TURNER, 1946 en de geïntroduceerde Afrikaanse cichlide Tilapia, die bijna overal ten westen van Mexico City kan worden gevonden. P. turneri hield zich voornamelijk op in het diepere water.
In het aquarium zijn het levendige en schijnbaar onvermoeibare zwemmers. De mannetjes zijn de hele dag bezig met pogingen om de vrouwtjes te bevruchten. Er is geen sprake van een uitgebreide balts. De mannetjes duwen met hun bek tegen de geslachtsopening van het vrouwtje en afhankelijk van de stemming van het vrouwtje vindt er al dan niet een bevruchting plaats. De meeste pogingen zijn echter zonder resultaat en het vrouwtje slaat dan verder geen acht op het mannetje. Pas als ze stil blijft hangen, kan het mannetje een poging doen om het vrouwtje te bevruchten. Soms zijn dit meer mannelijke concurrenten tegelijk en is het een heel gedrang. Om de vrouwtjes af en toe rust te geven is het van belang, dat er in het aquarium schuilplaatsen zijn.
De voortplanting van deze soort is afwijkend van de meeste levendbarende tandkarpers, waarbij de jongen in één worp worden geboren. Net als het bekendere dwergtandkarpertje, Heterandria formosa AGASSIZ, 1855 heeft deze soort superfoetatie. Wat inhoudt, dat de jongen in verschillende ontwikkelingsstadia in het lichaam van het vrouwtje zitten en niet allemaal op hetzelfde moment worden geboren. Deze wijze van voortplanten wordt bij nog een aantal soorten uit het genus Poeciliopsis, namelijk P. prolifica MILLER, 1960, P. presidionis (JORDAN, 1895) en P. elongata (GÜNTHER, 1866) en Micropoecilia branneri (EIGENMANN, 1894) aangetroffen. Bij vissen die superfoetatie hebben, vindt er een grote uitwisseling van voedingsstoffen tussen de moeder en de jongen plaats. Voor een kleine soort als H. formosa heeft superfoetatie het voordeel, dat het vrouwtje relatief grote jongen kan werpen. Voor de soorten uit het genus Poeciliopsis heeft deze wijze van voortplanten het voordeel, dat de vrouwtjes veel slanker blijven. Hierdoor blijft de stroomlijn beter gehandhaafd, waardoor de vissen zich beter voort kunnen bewegen in snel stromend water of op grotere diepte, waardoor het voortbewegen minder energie kost en de kans om aan predatoren te ontsnappen wordt vergroot (REZNICK & MILES, 1989).
Ten opzichte van H. formosa is de superfoetatie bij P. turneri enigszins anders. Bij de eerstgenoemde soort zijn er in het moederlichaam van het vrouwtje jongen in negen verschillende ontwikkelingsstadia te vinden, bij P. turneri konden er drie verschillende stadia worden vastgesteld (REZNICK & MILES, 1989). De geboorte gaat dan ook anders. Bij H. formosa worden er in een periode van een week af en toe 1 tot 4 jongen geboren. Bij P. turneri worden er ongeveer elke twee weken enkele jongen geboren. Het maximale aantal, dat kan worden geboren is volgens Miller (1975) vier. Bij mij werden er per worp maximaal drie jongen geboren. Over het algemeen kreeg ik twee per worp. De jongen zijn bij de geboorte relatief groot en hebben een lengte van ruim 1 centimeter. De kenmerkende zwarte vlekken zijn meteen bij de geboorte aanwezig. De jongen worden door hun ouders niet opgegeten en het is dan ook niet nodig om ze apart te houden. Na ongeveer 4 maanden zijn ze geslachtsrijp. Af en toe heb ik een periode, waarin er geen jongen worden geboren. Miller (1975) geeft aan, dat het ook in de natuur voorkomt, dat er periodes zijn dat er geen geboortes plaatsvinden. Het zijn echte alleseters met een voorkeur voor dierlijk voedsel. Ook droogvoer wordt door deze soort gegeten, maar een aanvulling in de vorm van levend en/of diepvriesvoer is noodzakelijk. Het is van belang om regelmatig het water te verversen. In de natuur leven de vissen in helder stromend water en naar mijn idee stellen ze schoon water op prijs. Voor liefhebbers van kleiner blijvende levendbarende tandkarpers is P. turneri een ideale vis. Het feit, dat de voortplanting niet zo snel gaat, hoeft geen nadeel te zijn. Sommige levendbarenden planten zich in het aquarium dusdanig snel voort dat er al snel een overschot zal ontstaan. Dit is bij deze soort minder snel een probleem. Literatuur Miller, R.R. 1975: Five new species of Mexican Poeciliid fishes from the genera Poecilia, Gambusia and Poeciliopsis - Occasional Papers of the Museum of Zoology University of Michigan 672: 1- 44 Rosen, D.E & Bailey, R.M. 1963: The Poeciliiid fishes (Cyprinodontiformes), their structure, zoogeography, and systematics - Bulletin of the American Museum of Natural History 126: 1-176 Meyer, M.K., Wischnath, L. & Foerster, W. 1985 - Lebendgebärende Zierfische Arten der Welt. Mergus Verlag. Reznick, D.N. & Miles, D.N. Review of life history patterns in Poeciliid fishes in: Meffe, G.K. & Snelson, F.F. (edit) 1989 Ecology & Evolution of Livebearing fishes (Poeciliidae). Prentice Hall Lyons, J. & Navarro-Perez, S. 1990: Fishes of the Sierra de Manantlan, West Central Mexico - The Southwestern Naturalist 35: 32-46 Dibble, I. 2000: Mexican Millennium Madness February 2000 Annual report and field trip |