|
Kweekverslag Ancistrus spec. Rio Guanapolo Tekst en foto's: Ernst van Genne Een van de meervallen die we in de Rio Guanapolo vingen, was de bekende vis Ancistrus spec. cf. doligopterus. Alleen, die wordt volgens de literatuur op een andere plaats gevangen. Er is wel een klein verschil in het stippenpatroon te vinden. Dat is namelijk bij Ancistrus spec. minder aanwezig dan bij de bekende Ancistrus doligopterus. We hebben om deze reden dan ook een aantal exemplaren meegenomen, omdat ze er toch wel anders uitzagen en vooral mooier dan ik gewend was.
We troffen ze aan, toen we in het snelstromend water handnetten onder boomstammen door haalden. Af en toe kwam er ook een aantal exemplaren in het werpnet of soms in het net, dat we door het water trokken. Af en toe troffen we ook exemplaren aan, die in het hout of de takken zaten die op de rivierbodem lagen. Om de vis daaruit te krijgen was het meestal voldoende om zo'n stuk hout op de kant te gooien, waarna de vissen er meestal vanzelf uitkropen. Dan was het een kwestie van 'oprapen en in de emmer stoppen'. In grootte varieerden ze erg: we vingen ze van 2 cm tot wel een centimeter of 20. Opvallend waren de soms lange baarddraden bij de volwassen mannetjes, dat altijd een imposant gezicht oplevert bij dit soort meervallen. De vrouwtjes zien er bij de kop wat slanker uit en natuurlijk ontbreken de baarddraden (die alleen de mannetjes hebben), die bij hun zijn gereduceerd tot korte stompjes van nog geen halve millimeter. Maar als ze erg jong zijn, dan is het geslachtsverschil niet te zien. Maar we vingen er voldoende om er een voorraadje van mee naar huis te nemen. In de Cañoes stroomde het water niet, het water was erg leemkleurig en daardoor was het zicht afwezig. In de Rio Guanapolo konden we wat meer zien - wat heet - met een cm of 10 heb je het wel gehad. Het water stroomde daar behoorlijk hard. De andere vissen die we daar vingen waren o.a. Panacque nigrolineatus, Rineloricaria spec. Peckoltia vittatus, Hypostomus spec., Lamontichthys filamentosus en Farlowella spec.
Via Dirk Verduijn kwamen die ancistrussen samen met de andere vissen een maand later in Nederland aan. Dat duurde een paar weken langer dan waar we in eerste instantie op gerekend hadden, want ze bleken nl. besmet te zijn door een nauwelijks te bestrijden stipaanval. Door het transport kregen ze weer witte stip. Daarom moesten er ook weer medicijnen gegeven worden met alle gevolgen van dien. Als je geen goede hygiëne toepast, krijgen de andere vissen, die in quarantaine zitten door een kruisinfectie ook witte stip. Gelukkig was het een zeer resistente stam, die we uit Zuid-Amerika meenamen, zodat een goede behandeling tot gevolg had dat binnen een week het sein 'stip meester' kon worden gegeven en we de vissen konden gaan ophalen. Zo kwam ik dus thuis met een aantal prachtige ancistrussen en nog wat ander wildvangspul, dat we daar gevangen hadden. Omdat ik thuis mijn bak al behoorlijk vol had, deed ik ze in een van mijn zogenaamde verzorgingsaquaria op mijn werk. Ze stellen hoegenaamd geen eisen aan de watersamenstelling, hetgeen dus prima ging. Als voer aten ze met de pot mee, d.w.z. droogvoer en op zijn tijd een lekker vlooienmaaltje vers uit de sloot, meestal als ik dienst had. De andere vissen, die in de bak van 150 x 60 x 65 cm rond zwommen, waren o.a. een aantal maanvissen en Mesonauta mirificus, die ik van een eerdere reis naar Laeticia meegenomen had.
Toen ik daar eens goed met een lamp inscheen, bleek er tot mijn verbazing een heel legsel in te zitten: er waren wel een 100 eitjes afgezet, die wat vaalroze van kleur waren en prima door het mannetje werden bewaakt. Nu wist ik niet precies wanneer die eitjes afgezet waren, maar twee dagen later lagen er larfjes in het holletje. Die bleven er nog een dag of vijf liggen, waarna ze verdwenen waren. Tenminste, ik had nog wel de hoop dat er een aantal overleefde. Per slot van rekening kunnen dit soort meervallen in de kleinste hoekjes kruipen, wat hun overlevingskansen wel zou vergroten (dacht ik). Maar de realiteit was wel even anders. Ik heb er nooit meer eentje weergezien, Dat moest dus een volgende keer anders. Die volgende keer kwam al weer vlot na de eerste keer.
Vervolgens heb ik de jongen in een doorzichtig plasticdrijfbakje gedaan en het geheel bevestigd in het aquarium. Door een hevelslang met filterschuim ervoor te plaatsen en dit door een luchtslangetje in de uitstroomslang van mijn Eheimfilter te doen, was er een continue waterverversing in dat drijfbakje voorhanden. Aan de ene kant stroomde er water in, aan de andere kant ging het via de hevel weer uit het drijfbakje en kwam het water dus weer in het aquarium terecht. Ik vind het een perfect systeem. Je voert niet gauw te veel en het water gaat niet gauw bederven door die continue stroming. Een ander voordeel
Na ongeveer vier weken waren de meeste een centimeter of vijf. Ik heb toen het bakje omgekeerd en de jongen schoten meteen in allerlei hoeken en gaten, tussen het kienhout en tegen de 'kunststofeikenschorsachterwand'. Toen ik 's nachts met een felle zaklantaarn in de bak scheen, lichtten er allerlei rode puntjes op in de hoeken van de bak ten teken dat er nog behoorlijk wat meervalletjes rondhingen.
|